Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien
Part 1
KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE VOOR TAAL- & LETTERKUNDE
BEOWULF
ANGELSAKSISCH VOLKSEPOS
VERTAALD IN STAFRIJM
EN MET INLEIDING EN AANTEEKENINGEN VOORZIEN
DOOR
Dr. L. SIMONS
BRIEFWISSELEND LID DER KONINKLIJKE VLAAMSCHE ACADEMIE VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE LEERAAR AAN 'T KONINKLIJK ATHENAEUM TE BRUSSEL.
GENT A. SIFFER Drukker der Koninklijke Vlaamsche Academie
1896
EEN WOORD VOORAF
Mijn doel bij het uitgeven dezer Beowulf-bewerking was, in eene leemte te voorzien en tevens de uitkomsten van de onderzoekingen over een der belangrijkste letterkundige voortbrengselen in breeder kring te verspreiden.
Daarom zijn aan de vertaling talrijke ophelderingen en eene breedvoerige inleiding toegevoegd.
Ik heb den tekst van Socin gevolgd; daar waar ik de voorkeur geef aan eene andere lezing, heb ik mijne handelwijze gerechtvaardigd in de Aanmerkingen op het einde van het werk.
Van de vertaling valt niets bijzonders te zeggen; ik sluit mij zoo getrouw mogelijk bij mijn voorbeeld aan, en dat dit geene gemakkelijke taak was, zal hij, die in den ingewikkelden tekst van het oorspronkelijke thuis is, het best begrijpen, vooral als hij nagaat, hoe ver ons Nederlandsch in rijkdom van zinverwante woorden ten achter staat bij de Angelsaksische epiek.
Een enkel woord over de versmaat.
Ik had, evenals de Geyter, het Reinaertsvers kunnen aanwenden, dat uit het algemeen Oudgermaansche vers gesproten is, vooral daar het heel wat meer speelruimte aanbiedt dan de, door mij gebezigde, eng begrensde vijfvoetige jambus; nochtans heb ik van zijn gebruik afgezien, omdat het, zooals Max Rooses te recht aanmerkt, «te gemeenzaam klinkt voor epische verhalen».
Buitendien leent zich de vijfvoetige jambus zeer goed tot de indeeling in halfverzen, het hoofdkenmerk der oude epische versmaat.
Heb ik mij door het verwerpen van het Reinaertsvers een blok aan 't been gelegd, van den anderen kant veroorloof ik mij meer vrijheid van beweging bij het stafrijm; en geen wonder, want onze taal is er geheel en al aan ontwend. In dit opzicht sluit ik mij aan bij de Middelengelsche dichters, die op dit punt wat minder nauwgezet waren dan hunne voorgangers.
Vandaar dat de twee halfverzen niet altijd door een gemeenschappelijk stafrijm (naar het voorbeeld ab ab) tot een geheel vereenigd worden, maar integendeel elk op zich zelf een afzonderlijk stafrijm hebben (aa bb).
Het schijnt mij zelfs toe, dat het stafrijm in onze tegenwoordige taal op deze laatste wijze alleen het best tot zijn recht komt.
Men leze en oordeele.
TE RAADPLEGEN LITERATUUR OVER DEN BEOWULF.
De volgende uitgebreide lijst is ontleend aan James M. Garnett, Beowulf, An Anglo-Saxon Poem; Boston U. S. A. 1893.
Eenige na dien tijd verschenen werken heb ik er aan toegevoegd.
Uitgaven:
Thorkelin. De Danorum rebus gestis secul. III et IV poema Danicum dialecto Anglosaxonica. Havniae, 1815, met eene Latijnsche vertaling.
Conybeare. Illustrations of Anglo-Saxon Poetry, London, 1826. Thorkelin's uitgave wordt er met het Hs. vergeleken en eene Latijnsche en voor sommige plaatsen eene Engelsche vertaling aan toegevoegd.
Kemble. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Traveller's song and the Battle of Finnsburg, London, 1833; 2de uitgave, 1835-37, in twee deelen, waarvan het tweede eene volledige Engelsche vertaling behelst.
Schaldemose. Beowulf og Scopes Widsidh, Kopenhagen, 1847, 2de uitgave, 1851. Kemble's tekst met Deensche vertaling.
Thorpe. The Anglo-Saxon Poems of Beowulf, the Scôp or Gleeman's Tale, and the Fight at Finnsburg, Oxford, 1855; met Engelsche vertaling. Herdruk zonder wijzigingen in 1875.
Grein. Bibliothek der Angelsächsischen Poesie, 1ste deel, blz. 255, Beowulf; Göttingen, 1857.
Grundtvig. Beowulfes Beorh; Kopenhagen, Londen en Leipzig, 1861, met eene vergelijking van de twee afschriften van het Hs. in 1786 door Thorkelin gemaakt.
Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863; 2de uitgave, 1868; 3de uitg., 1873; 4de uitg., 1879; 5de uitg., door Socin bezorgd, 1888; met het beste glossarium.
Grein. Beowulf nebst den Fragmenten Finnsburg und Waldere; Cassel en Göttingen, 1867.
Ettmüller, Carmen de Beowulfi Gautarum regis rebus praeclare gestis atque interitu, quale fuerit antequam in manus interpolatoris, monachi Vestsaxonici, inciderat. Turici, 1875.
Arnold, Thomas. Beowulf. A heroic poem of the eighth century, London, 1876; met eene Engelsche vertaling.
Wülcker. Grein's Bibliothek der A. S. Poesie. Neu bearbeitet u. s. w. 1ste deel, 1ste helft; Cassel, 1881. Herstelde tekst met critische nota's in 1ste deel, 2de helft; Cassel, 1883.
Holder. Beowulf. I. Abdruck der Handschrift; 2de uitg. Freiburg en Tübingen, 1882. Hs. door Holder vergeleken in 1875 met gebruik van Thorpe's oorspronkelijke collatie in 1830. II. Tekst en glossarium. 1884.
Harrison en Sharp. Beowulf; volgens Heyne's tekst en woordenlijst. Boston, 1883; 2de uitg., 1885; 3de vermeerderde uitg., 1888.
Zupitza. Beowulf; Autotypes of the unique Cotton MS. Vitellius A. XV. in the British Museum; with a transliteration and notes; London, 1882; Early English Text Society.
Kölbing. Zur Beowulf-Handschrift. Herrig's Archiv für das Studium der neueren Sprachen; LVI, 91. Eene volledige vergelijking van het Hs.
Afzonderlijke vertalingen.
Grundtvig. Bjowulfs Drape; Kopenhagen, 1820, 2de uitgave, 1865.
L. Ettmüller, Beowulf. Heldengedicht des achten Jahrhunderts, zum ersten Male aus dem Angelsächsischen in das Neuhochdeutsche stabreimend übersetzt und mit Einleitung und Anmerkungen vorsehen. Zürich, 1840.
Wackerbarth. Beowulf, translated into English verse; London, 1849.
Grein. Dichtungen der Angelsachsen, stabreimend übersetzt; 2 deelen; Göttingen, 1857-59; 1ste deel, 2de uitg., 1863. Afzonderlijke uitgave van de Beowulf-vertaling, Cassel, 1883.
Sandras. De carminibus Caedmoni adjudicatis; Parijs, 1859; met uittreksel van Beowulf en Latijnsche vertaling.
Simrock. Beowulf, übersetzt und erläutert; Stuttgart en Augsburg, 1859.
Heyne. Beowulf; Paderborn, 1863.
Von Wolzogen. Beowulf; Leipzig, Reclam-Bibliothek.
Botkine. Beowulf. Epopée Anglo-Saxonne, traduite en francais pour la première fois; Havre, 1877.
Lumsden. Beowulf, translated into modern rhymes; London, 1881; 2de uitg., 1883.
Zinsser. Der Kampf Beowulfs mit Grendel. Probe einer metrischen Uebersetzung des A. S. epos Beowulf; Jahresbericht van de Realschule te Forbach, 1881.
Grion, Giusto. Beovulf, poema epico anglo-sassone del VII secolo, tradotto e illustrato; Lucca, 1883. De eerste Italiaansche vertaling.
Wickberg. Beowulf, en fornengelek hjeltedikt, äfersatt; Westervik. De eerste Zweedsche vertaling.
Voegen wij er nog bij de reeds aangehaalde Engelsche vertaling van Garnett.
Werken van bijzonderen aard.
Müllenhoff. Beowulf. Untersuchungen über das Angelsächsische Epos und die älteste Geschichte der germanischen Seevölker; Berlijn, 1889. Mythus, geschichtliche Elemente; die Geaten und Schweden, die Dänen, die Angeln und Sachsen.
B. ten Brink. Beowulf. Untersuchungen; Strassburg, 1888. De schrijver houdt er zich vooral bezig met de innerlijke geschiedenis van het epos.
Sarrazin. Beowulf-Studien; Berlijn, 1888. Ursprung der Sage, die Skand. orig. Dichtung, die Angels. Bearbeitung, die Stellung des Beowulf-epos in der Entwicklung der altengl. Poesie.
Kemble. Ueber die Stammtafel der Westsachsen; Munchen, 1836.
Heyne. Ueber die Lage und Construction der Halle Heorot; Paderborn, 1864.
Botkine. Beowulf. Analyse historique et géographique; Parijs, 1876.
Dederich. Historische und geographische Studien zum Angelsächsischen Beowulfsliede; Keulen, 1877.
Grein. Die historischen Verhaltnisse des Beowulfliedes. Ebert's Jahrbuch für rom. und engl. Literatur, IV, 260 (1862).
Schultze. Altheidnisches in der A. S. Poesie, speciell im Beowulfsliede; Berlijn, 1877.
Skeat. The Name Beowulf. Academy, 1877, I. 163.
Leo. Beowulf, das älteste deutsche, in angelsächsischer Mundart erhaltene Heldengedicht, nach seinem Inhalte und mythologischen Beziehungen betrachtet; Halle, 1839; met vertaalde uittreksels.
Sarrazin. Der Schauplatz des ersten Beowulfliedes und die Heimat des Dichters. Paul und Braune's Beiträge, XI, 528-541.
Id. Die Beowulfsage in Dänemark. Anglia, IX, 195-199.
Id. Beowa und Böthvar. Anglia, IX, 200-204.
Id. Beowulf und Kynewulf. Anglia, IX, 515-550.
Id. Altnordisches im Beowulfliede. Beiträge, XI, 528-541.
Sievers. Die Heimat des Beowulf-dichters. Beiträge, XI, 354-362.
Id. Altnordisches im Beowulf? Beiträge, XII, 168-200.
Klöpper. Heorot-Hall in the Anglo-Saxon Poem of Beowulf. Festschrift für K. E. Krause. Rostock.
Haigh. The Anglo-Saxon Sagas; Londen, 1861; eene poging om de in het epos vermelde plaatsen in Engeland thuis te brengen.
Müller, N. Die Mythen im Beowulf in ihrem Verhältniss zur germanischen Mythologie betrachtet; Leipzig, 1878.
Suchier. Ueber die Sage von Offa und Thrydho. Beiträge, IV, 500.
Vigfusson. Grettis Saga, in de voorrede van zijne Sturlunga Saga; Oxford, 1878.
Gering. Der Beowulf und die Isländische Grettissaga; Anglia, III, 74.
Smith, C. Sprague. Beowulf Gretti, in New Englander, IV, 49.
Ettmüller. Altnordischer Sagenschatz, 1870.
Symons. Heldensage. Grundriss der Germanischen Philologie; VII Abschnitt.
G. Kurth. Histoire poétique des Mérovingiens; Paris, 1893.
Müllenhoff. Der Mythus von Beowulf. Haupt's Zeitschrift, VII, 419.
Skeat. The Monster Grendel in «Beowulf». Journal of Philology, No 29, XV.
Schneider. Der Kampf mit Grendels Mutter. Program des Friedrichs-Realgymnasiums; Berlijn, 1887.
Hornburg. Die Composition des Beowulf. Program van het Lyceum in Metz, 1877.
Möller. Das altenglische Volksepos in der ursprünglichen strophischen Form; Kiel, 1883.
Rönning. Beowulfs-Kvadet. En literaer-historisk undersögelse. Kopenhagen, 1883.
Krüger. Ueber Ursprung und Entwickelung des Beowulfliedes. Herrig's Archiv, LXXI, 129, 1884.
Id. Zum Beowulfliede. Program des städtischen Realgymnasiums in Bromberg, 1884.
Merbot. Aesthetische studiën zur angelsächsischen Poesie; Breslau, 1883.
March. The World of Beowulf. Proceedings of the Amer. Phil. Association, 1882.
Harrison. Old Teutonic Life in «Beowulf». Overland Monthly, July, 1884.
Bugge. Studien über das Beowulfepos. Beiträge XII, 1-80 en 360-375.
Sarrazin. Entgegnung. Englische studien, XIV, 421-427. Een antwoord op Koeppel's beoordeeling van Sarrazin's Beowulf-Studien. Eng. Stud. XIII, 475.
Koeppel's antwoord; Eng. Stud. XIV, 427-432.
Deskau. Zum Studium des Beowulf. Berichte des freien deutschen Hochstiftes. 1890.
Hertz. Beowulf, das älteste germanische Epos. Nord und Süd, XXIX, 229-253; 1884.
Weinhold. Altnordisches Leben, 1856.
Kalund. Sitte. Skandinavische Verhältnisse. Grundriss der Germanischen Philologie, XIII. Abschnitt.
Schultz. Sitte. Deutsch-Englische Verhältnisse. Grundriss enz.
Deze schrijver maakt er een komaf mee met de volgende verklaring: «Von hoher Bedeutung dagegen für die Sittengeschichte der Angelsachsen ist das Beowulflied.»
Fahlbeck. Beowulfsqvädet enz. Antiquarisk Tidskrift för Sverige, VIII.
Lehmann. Brünne und Helm im angelsächsischen Beowulfliede; Leipzig, 1885.
Id. Ueber die Waffen im angelsächsischen Beowulfliede, Germania, XXXI, 486-497.
Bugge. Til de oldengelske digte om Beowulf og Waldere. Tidskrift for Philologi og Pädagogik, VIII, 1869-70.
Davidson, Chas. Differences between the Scribes of «Beowulf». Modern Language, Notes, V, 85 en 378; 1890.
Mc Clumpha, Chas. Differences between the Scribes of «Beowulf». Mod. Lang. Notes, V, 245, 1890.
Schultze. Ueber das Beowulfslied. Program van de Realschule te Elbing, 1864.
Schröder. Om Bjowulfs-drapen. Kopenhagen, 1875.
Arnheim. Ueber das Beowulflied. Bericht über die Jacobsonsche Schule zu Seesen, 1867-71.
Kölbing. Kleine Beiträge. Kölbing's Englische Studiën, III, 92; zu Beowulf, 168.
Outzen. Ueber das A. S. Beowulfs-Gedicht. Kieler Blätter, III, 312; 1816.
Schemann. Beowulf. Antichissimo poema epico de' popoli Germanici. Giornale Neapolitano di filosofia e lettere, scienze morale e politiche, IV, Vol. VII, 63, 175.
Earle. Beowulf. Canadian Monthly, II, 83, 1872.
Id. Beowulf. Household Words, XVII, 459.
Id. Beowulf. London Times, Weekly ed., Oct. 9, 1885.
Gibb. Gudrun, Beowulf and Roland; 2de uitg. Londen, 1883.
Powell. Recent Beowulf Literature (Harrison, Holder, Lumsden). Academy, no 648, Oct. 4, 1884.
Id. Harrison's «Beowulf». Academy, no 654, Nov. 15, 1884.
Harrison. Beowulf. Academy, no 653, Nov. 8, 1884.
Garnett. The Translation of Anglo-Saxon Poetry. Public. of the Mod. Lang. Assoc. of America. Vol. VI, no 3; 1891.
Bright. Review of Harrison and Sharp's «Beowulf». Litteraturblatt für germ. und rom. Philologie; Juni, 1884.
Gummere. The Translation of «Beowulf». Amer. Journal of Philology, VII, 1886.
Schilling. The Finnsburg-Fragment and the Finn-Episode. Mod. Lang. Notes, II, 291, 1887.
Corson. A passage of Beowulf (2724 vlg.). Mod. Lang. Notes, III, 193; 1888.
Krüger. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 571-578.
Kittredge. Zu Beowulf, 107 vlg. Beiträge, XIII, 210.
Miller. The Position of Grendel's Arm in Heorot. Anglia, XII, 396-400.
Zupitza. Zu Beowulf, 850. Herrig's Archiv, 84, 124; 1890.
Joseph. Zwei Versversetzungen im Beowulf. Zeitschrift für deutsche Philologie, XXII, 385-397.
Schröer. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIII, 333-348.
Sievers. Zur Texterklärung des Beowulf. Anglia, XIV, 133-146.
Kluge. Sprachhistorische Miscellen. Beiträge VIII, 532.
Id. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 187.
Cosijn. Zum Beowulf. Beiträge, VIII, 508.
Id. Beowulf. Taalkundige bijdragen, I, 286.
Id. Aanteekeningen op den Beowulf; Leiden, 1892.
Sievers. Zum Beowulf. Beiträge, IX, 135 en 370.
Nader. Zur Syntax des Beowulf. Twee programma's van de Staats-Oberrealschule te Brünn, 1879-80.
Lichtenheld. Das schwache Adjectiv im Angelsächsischen. Haupt's Zeitschrift, XVI, 325.
Nader. Der Genitiv im Beowulf. Program van de Staats-Oberrealschule te Brünn, 1882.
Id. Dativ und Instrumental im Beowulf. Jahresbericht van de Weener Oberrealschule, 1882-83.
Hotz. On the Use of the Subjunctive Mood in Anglo-Saxon and its further history in Old English; Zurich, 1882.
Köhler. Der syntaktische Gebrauch des Infinitivs und Particips im Beowulf; Münster, 1886.
Nader. Tempus und Modus im Beowulf. Anglia, X, 542-563, en XI, 444-449.
Davidson. The Phonology of the Stressed Vowels in «Beowulf». Public. of the Mod. Lang. Associat. of America. Vol. VI, no 3. 1891.
Harrison. List of Irregular (strong) Verbs in «Beowulf». Amer. Journal of Philology, IV, 462.
Schubert. De Anglosaxonum arte metrica; Berlijn, 1870.
Vetter. Ueber die Germanische Alliterationspoesie; Weenen, 1872.
Rehrmann. Essay on Anglo-Saxon Poetry. Program van de Hoogere Burgerschool in Lübben, 1876.
Rieger. Die Alt- und Angel-sächsische verskunst; Halle, 1876.
Schipper. Englische Metrik. I deel, Altenglische Metrik; Bonn, 1882.
Tolman. The Style of Anglo-Saxon Poetry. Transactions of the Modern Language Association of America; Vol. III, 1887.
Hirt. Untersuchungen zur West-germanischen verskunst; Leipzig, 1889.
Guest. History of English Rhythms, 2 deelen, 1838; heruitgegeven in 1 deel door Skeat, 1882.
Banning. Die epischen Formeln im Beowulf; Marburg, 1886.
Bode. Die Kenningar in der angelsächsischen Dichtung; Darmstadt en Leipzig, 1886.
Arndt. Ueber die altgermanische epische Sprache; Paderborn, 1877.
Schemann. Die Synonyma im Beowulfsliede, mit Rücksicht auf Composition und Poetik des Gedichts; Hagen, 1882.
Hoffmann. Der bildliche ausdruck im Beowulf und in der Edda. Englische Studien, VI, 1883.
Heinzel. Ueber den Stil der altergermanischen Poesie; Strasburg, 1875.
Gummere. The Anglo-Saxon Methaphor; Halle, 1881.
Schulz. Die Sprachfonnen des Hildebrandsliedes im Beowulf. Program van de Realschule te Koningsbergen, 1882.
Sievers. Zur rhythmik des germanischen alliterationsverses. I. Vorbemerkungen. Die metrik des Beowulf. Beiträge, X, 209-314. II. Sprachliche ergebnisse. Beiträge, X, 451-545.
Id. Der angelsächsische Schwellvers. Beiträge, XII, 454-482.
Id. Altgermanische Melrik. Grundriss der Germanischen Philologie. IX Abschnitt.
ten Brinck. Altenglische Literatur. Grundriss enz. VIII Abschnitt.
Haupt's Zeitschrift für Deutsches Altertum:
V. 10. Haupt. Zum Beowulf. VII. 410. Müllenhoff. Sceaf und seine Nachkommen. VII. 524. Bachlechner. Die Merovinge im Beowulf. XI. 59. Bouterwek. Zur Kritik des Beowulfliedes. XI. 176. Rieger. Ingaevonen, Istaevonen, Hermionen. XI. 272. Müllenhoff. Zur Kritik des A. S. Volksepos. XI. 409. Dietrich. Rettungen. XII. 259. Müllenhoff. Zeugnisse und Excurse zur deutschen Heldensage. XIV. 193. Müllenhoff. Die innere Geschichte des Beowulfs.
Zeitschrift für deutsche Philologie (Höpfner en Zacher):
II. 305. Köhler. Die Einleitung des Beowulfliedes, en Die beiden Episoden von Heremod. II. 371. Rieger. Beoordeeling van Heyne's 2de uitgave. III. 381. Rieger. Zum Beowulf. IV. 192. Bugge. Zum Beowulf.
Germania (Pfeiffer):
I. 297 en 455. Bachlechner. Eomaer und Heming (Hamlac). I. 384. Bouterwek. Das Beowulflied. Eine Vorlesung. VIII. 489. Holtzmann. Zu Beowulf. (Textkritik.) XIII. 129. Köhler. Germanische Alterthümer im Beowulf.
Anglia IV, 69. Wülcker. Bespreking van de Beowulfvertalingen.
ten Brink. Geschichte der englischen Litteratur; 1ste deel, Berlijn, 1877.
Wülcker. Grundriss zur Geschichte der angelsächsischen Litteratur; Leipzig, 1885.
Robinson, W. Clarke. Introduction to our Early English Literature; Londen, Durham en Heidelberg, 1885.
Earle. Anglo-Saxon Literature; 1884.
Taylor. Historic Survey of German Poetry; 3 deelen, 1830.
Lonfellow. Anglo-Saxon Literature. N. Am. Review, XLVII, no 100; 1838.
Petheram. Historical Sketch of Anglo-Saxon Literature in England, 1840.
Wright. Biographia Britannica Literaria, Vol. I, Anglo-Saxon Period, 1842.
Lappenberg. History of England under the Anglo-Saxon kings. Translated by B. Thorpe, 2 vols. 1845.
Kemble. Saxons in England, 2 vols. 1849.
Green. The Making of England, 1882.
Grimm. Deutsche Mythologie.
Simrock. Handbuch der Deutschen Mythologie, 1878.
Mone. Untersuchunqen zur Geschichte der deutschen Heldensage, 1836.
Grimm. Die Deutsche Heldensage, 1867.
Wagner. Deutsche Heldensage, 1881.
Wagner en Mc Dowall. Epics and Romances of the Middle Ages, 1883.
INLEIDING.
Wat is den arme 't schoon der lente? Niets! Een starrenhemel? Niets! Wat is hem kunst? Wat zijn hem tonen, tinten, geuren? Niets! Wat is hem Poëzie?
Zonder zich juist op het standpunt te moeten plaatsen van Multatuli, zal wel menig dichter met hem instemmen bij het zien van de practische richting onzer eeuw, waarin onder de ontwikkelden slechts weinigen, eenige fijnproevers en voor het overige beoordeelaars, wier vak het meebrengt, belang stellen in de poëzie, terwijl de groote menigte in de beslommeringen en bekommeringen van den strijd om 't bestaan doof blijft voor alle «godentaal» en «hemelval».
Welk verschil met de eerste eeuwen onzer beschaving, met het heldentijdperk onzer Germaansche voorouders, toen de poëzie, in en door het volk geschapen, aan een gemeenschappelijk ideaal beantwoordde, alle borsten deed zwellen, aller begeestering afdwong en zoozeer vergroeid was met het «profanum vulgus», dat de dichter, welke thans als eene scherpe, hooger begaafde persoonlijkheid optreedt, in de groote massa verloren ging, als een druppel in den oceaan.
Evenals het tot man opgroeiend kind zijne begoochelingen aflegt, naarmate het, door weetgierigheid geprikkeld, de koude en ernstige werkelijkheid leert kennen, zoo ook hebben de beschaafde volken sinds lang de ongekunstelde voorstellingen hunner jeugd over boord geworpen; en indien er nog eenige sporen voorhanden zijn van de oude, dichterlijke overleveringen, dan zijn ze tot den nederigen rang van sprookjes afgedaald, welke nog alleen in de kinderwereld onder de strooien daken rond den zetel van het goedhartige, kind geworden grootje, te vinden zijn.
Hofdijk zegt te recht van de sage:
Toen vlood de onterfde maagd, door twijfels kille handen Beroofd van kroon en bloemenwâ, En vond in 't halflicht van de ruwe, leemen wanden Der schaamle eenvoudigheid genâ.
Welnu, keeren wij in deze lang vervlogen tijden, in het rijk der sage terug; het is immers zoet voor het hart, zich de schoone jeugd weer voor den geest te halen.
Aan de Oudengelsche letteren is het voorrecht te beurt gevallen den Beowulf, het oudste Germaansche epos, te bezitten. Alle Germaansche volken hadden wel is waar dichterlijke overleveringen, doch deze gaven slechts het ontstaan aan afzonderlijke liederen of sagen.
Op dezen trap bleven de Scandinaviërs staan, terwijl bij de Franken de oude heldensage grootendeels voor de poëzie verloren ging. Alleen de Duitschers kunnen met rechtmatigen trots op volksheldendichten als de Nibelungen en Gudrun wijzen, doch deze zijn van veel lateren oorsprong dan de Beowulf.
Het is waar, de Beowulf is geen eigenlijk heldendicht in de hooge beteekenis, welke men, verwend als men is door het Grieksche epos, aan dit woord toekent.
Er wordt geene gebeurtenis van zulk algemeen nationaal belang als de oorlog van Troje geschilderd; zelfs ontbreekt de eenheid, welke alleen een letterkundig voortbrengsel tot volmaakt kunstwerk kan stempelen; het Angelsaksische epos werd immers in het midden zijner ontwikkeling tot staan gebracht door de uitbreiding van het Christendom. Doch dit neemt niet weg, dat het een juweel is, en als zoodanig onze warme belangstelling verdient.
Immers het gedicht, dat in de grondtrekken heidensch is gebleven, is een der weinige schatten, welke gered zijn uit de schipbreuk van de rijke Germaansche volkspoëzie; de taal, de epische stijl, de geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden, de aanwezigheid der voornaamste heldensagen, de bestanddeelen waaruit het tot een geheel is saamgevloeid, dat alles spreekt tot den beschaafden lezer en tot den dichter, dat alles biedt de taalwetenschap, geschiedenis, letterkunde en tekstcritiek een rijk veld ter ontginning aan.
Wat de laatste wetenschap betreft, zij heeft zich in de herstelling van den Beowulftekst een blijvend gedenkteeken gesticht.
De gebrekkige toestand van het handschrift hulde het gedicht in een apocalyptisch duister; dank aan de onderzoekingen van Bugge, Cosyn, Kluge en Sievers is er licht ontsproten uit den baaierd, zoodat wij ons thans in eenen leesbaren tekst kunnen verheugen. Om zich hiervan te overtuigen vergelijke men de oude vertaling van Ettmüller en zelfs die van Heyne met die van Grein, en men zal moeten bekennen, dat op dit gebied reuzenstappen zijn gedaan.
Voor ons, Nederlanders, heeft het gedicht nog eene bijzondere reden tot belangstelling: de inval der Denen, het eenige geschiedkundig na te wijzen feit, heeft op Nederlandschen bodem plaats gehad. Dit is des te meer opmerkelijk, nu diezelfde gewesten zich niet onbetuigd hebben gelaten bij de totstandkoming van de Nibelungen en Gudrun [1].
Doch nog om eene andere reden is de Beowulf belangrijk. Indien het boven allen twijfel verheven is, dat elk letterkundig werk van eenigen omvang de uitdrukking zijn moet van zijnen tijd, wil het op den naam van meesterstuk aanspraak maken, dan is dit vooral waar van het volksepos, dat natuurlijk uitvloeisel van de ziel der natie, van het gemeenschappelijk leven en streven gedurende heel een tijdvak.
Dit vinden wij bij het Oudengelsche gedicht bewaarheid; het is de uitdrukking van het volksideaal en bijgevolg de nagenoeg trouwe afbeelding van het karakter, van de zeden en gewoonten der oude Germanen.