Aspasia

Part 9

Chapter 93,848 wordsPublic domain

„Het is zeer loffelijk van Ictinus en Phidias,” vervolgde Callicrates glimlachend, „dat zij alles zoo haarfijn bedenken en met lijnen en teekens op het papier brengen. Maar begrijp wel, dat al dat fijn gedachte, wat deze mannen overpeinzen en ontwerpen op het papier, ook uitgevoerd moet worden—uitgevoerd in massieve, wederstrevende stof. Zie hier het ontwerp, waarin Ictinus de maat en berekeningen heeft opgegeven, zooals hij het verlangt te hebben—die moet ik nu in harden steen ten uitvoer leggen op eene reusachtige schaal, en toch zoo nauwkeurig, in al de fijnheden van het ontwerp, alsof ik het met een fijn mesje uit ebbenhout moet snijden.”

„Het is gemakkelijk te begrijpen,” zeide de dichter, „dat het moeite moet kosten die fijne evenredigheden en rechte lijnen in het reuzenschrift der marmerblokken, bij de verschillende vormen, overal in acht te nemen.”

„Rechte lijnen zegt ge!” riep Callicrates met een bijna spottenden glimlach uit. „Rechte lijnen? Dat gaven de Goden! Met rechte lijnen kan een stumper ook wel klaar komen. Maar zulke komen er niet voor in de ontwerpen van Ictinus en Phidias. Weet ge, wat Ictinus zegt? „Om recht te schijnen mag de lijn in groote afmetingen het nooit in de werkelijkheid zijn.”—Zie maar eens hier naar die fundamenten en de trappen, die naar de oppervlakte voeren. Gij zult wel denken, dat deze oppervlakte werkelijk zoo recht loopt, als ze zich aan uw oog voordoet? Gij vergist u: de lijn van deze oppervlakte verheft zich naar het midden in eene zachte, voor het oog nauw merkbare en toch voor het gezicht berekende kromming. En diezelfde zachte, onmerkbare kromming zult ge later ook bij het groote werk, schoon in geringere mate, terug vinden; ja, overal in deze gansche architectuur van den tempel wil Ictinus ze zien aangebracht; en evenals van de kroonlijst tot aan de fundamenten er werkelijk niets waterpas te vinden zal zijn, zoo wil hij evenmin iets volkomen loodrechts dulden, maar de naar boven krom oploopende lijnen moeten even zacht weder naar beneden afloopen. Zonder deze zachte krommingen, op de wetten der optiek en lichtbreking gebaseerd, zegt Ictinus, zou het geheel zonder zwier schijnen en zou het, in plaats van vrij en fier naar boven te stijgen, er uitzien alsof het in den grond weg wilde zinken. Gij moogt nu, wat ge wilt, gelooven van deze en dergelijke kunstgeheimen der beide meesters, maar bedenk eens, hoe ik, om maar van één ding te spreken, het moet aanleggen, om in weerwil van die zachte krommingen naar boven en onmerkbare afdalingen naar beneden, de blokken, de steenmassa’s, de zuilbrokken, naar die fijne berekeningen, toch haarfijn en vast en stevig in elkaar te voegen?”

„Gij zult het tot stand kunnen brengen, wakkere Callicrates,” viel Pericles levendig in: „ik ken u. Laten wij voor het overige Ictinus en Phidias maar laten meten en berekenen; het is toch in den grond der zaak een innerlijke, door de Goden ingeschapen aandrang, welken die mannen volgen. Hun is het door de Goden in de ziel gelegd, langs welken weg en door welke middelen zij ons in uiterlijken tooi datgene zuiver kunnen doen genieten wat zij reeds in hun geest hebben aanschouwd.”

„Zoo lang hier een steen op den ander blijft,” zeide de dichter goedkeurend, „zal wel datgene, wat door Goden bezielde mannen, als deze beiden, eerst in hunne ziel hebben aanschouwd, en dan in getallen en berekeningen hebben uitgedrukt, hart en ziel der toeschouwers met overweldigende kracht aangrijpen.”

„Doch niet toeschouwers, als die luistervink daarboven,” viel Callicrates lachend in, nadat hij een poos met scherpen blik den Erechtheüs-priester en zijn vertrouwde had aangezien, die beiden loerend en luisterend nog steeds aan den ingang van het Erechtheüm stonden.

„Met blikken van verbeten woede,” vervolgde Callicrates, „ziet die Erechtheüs-priester steeds naar onzen arbeid, maar ik durf gerust zijn blik beantwoorden. Wij plagen elkander en tusschen mijne lieden en zijne tempeldienaars bestaat eene openlijke veete.”

„Het kan ons ook niet verwonderen,” zeide Pericles, „dat de Erechtheüs-priester vertoornd is. Wij bouwen toch, in plaats van zijn oud heiligdom te herstellen, vlak voor zijne oogen een nieuwen tempel op. Want wie toch zou het wagen de schennende hand aan de eerwaardige geheimen van dit sombere heiligdom te slaan?”

„Ja, waarlijk,” hernam Callicrates, „het is veel beter de uilen daar te laten nestelen. Die zitten dag en nacht onder het oude tempeldak. Die mannen daarginds willen niets weten van de nieuwe godenbeelden van Phidias. Zij willen geen nieuwe Goden; zij wasschen en kammen de oude en behangen ze uitwendig met nieuw gewaad, en gelooven, dat ze zoo eeuwig kunnen duren. Deze lieden zouden Pallas Athene het liefst nog met een uilenkop afgebeeld zien.”

„Daar naderen Phidias en Ictinus,” zeide de dichter, naar den anderen kant heenziende, „wij zullen nu hen zelven hooren.”

„Gij zult niet veel hooren,” hernam Callicrates. „Phidias is stil, zooals ge weet, en Ictinus wordt boos op ieder, die hem wil noodzaken over zijn vak te spreken. Beide mannen zijn slechts onder elkander, met niemand anders, spraakzaam.”

Intusschen waren Phidias en Ictinus nader gekomen. Ictinus was een onaanzienlijk gebogen mannetje. Zijne trekken waren niet scherp, zijne gelaatskleur vaal, zijne oogen mat, alsof hij veel had gewaakt en gepeinsd. In zijn gang echter had hij iets haastigs, iets onrustigs, dat aan prikkelbaarheid en opvliegendheid deed denken.

Phidias beantwoordde den handdruk van Pericles en dien van den dichter die bij hem was. Op den schoonen citherspeler met zijne jeugdige en teedere vormen sloeg hij een zonderlingen blik. Hij scheen hem te kennen en toch niet te willen kennen. Ictinus had het voorkomen van iemand, die weinig er mede op had menschen te ontmoeten, en hij scheen voornemens zijn weg zonder Phidias te willen vervolgen.

Maar de dichter wilde onderzoeken, of het waar was, wat Callicrates had gezegd, en wendde zich tot het haastige mannetje met de vraag: „Meester Ictinus, wilt ge niet als een deskundige de vraag beslissen, die Pericles en mij en den jongen citherspeler straks een geruimen tijd heeft bezig gehouden? Wij spraken over de redenen, die u, bouwmeesters, konden bewegen, den architraaf niet onmiddellijk op de zuilenschacht te doen rusten, maar een ietwat breed gelid, ’t zij in den vorm van het Dorische kapiteel of van den Ionischen stijl, daartusschen te schuiven. Sommigen beweren, dat dit geschiedt, om het te doen voorkomen alsof de last van het taflement de zuilen uiteen houdt—en den top als ’t ware naar beneden drukt—”

Ictinus lachte bij zich zelven. „Zuilen dus van leem, van deeg of boter?” antwoordde hij op sarkastischen toon. „Mooie zuilen voorzeker—zuilen van leem, die zich plat laten drukken—ha, ha, ha—mooie zuilen.”

„Gij lacht dus om deze verklaring?” riep de dichter: „zeg dan zelf, waarom doet gij het?”

„Omdat het tegendeel leelijk en afschuwelijk en onverdragelijk zou zijn!”

Deze woorden bromde Ictinus haastig, sloeg op den vrager een vluchtigen blik uit zijne grijze oogen en ijlde weg.

De mannen lachten.

„Ik zie,” vervolgde Pericles zich tot Phidias wendend, „dat de werken goed vorderen. Dat verheugt mij. Wij moeten snel en ijverig voortwerken. Wij moeten gebruik maken van de gunstige omstandigheden, die wellicht nimmer terug zullen keeren. Een groote oorlog zou alles stuiten en weldra zouden ons de middelen ontbreken om het ondernomene te voltooien.”

„Wij zijn daarom aan de ontwerpen en kleimodellen der ontzachelijke gevelgroepen en van de friezen en metopen-velden in de werkplaatsen ijverig bezig,” hernam Phidias.

„Denkt ge er niet aan,” vroeg Pericles, „Polygnotus te ontbieden, opdat ook hier, evenals daar beneden in den Theseus-tempel beitel en penseel in de uitvoering van de metopen-velden het werk konden verdeelen? Doch, ik herinner het mij, gij koestert geene hooge gedachten van de zusterkunst, het schilderen, die, ik moet het bekennen, nog een weinig onbeholpen in het niet verzinkt, bij de reusachtige vorderingen van den beitel.”

„Ik heb zelf als jongeling het penseel ter hand genomen,” hernam Phidias; „maar het voldeed mij niet. Vol en rond en zuiver wilde ik datgene wat ik in mijn geest zag, voorstellen, en dat kon ik alleen met den beitel.”

„Welaan,” zeide Pericles, „dan moge aan het nieuwe heiligdom van Pallas alleen de rijpste kunst hare krachten wijden, opdat het een gedenkteeken worde van het beste, wat wij vermogen. Wij zullen Polygnotus bij eene andere gelegenheid zoeken schadeloos te stellen. Wij willen later ook eens overleggen of er niet iets te doen is voor het oude heiligdom van dien toornigen priester en ook voor gindsch onvoltooid tempeltje, dat zich zoo fier op de rotsen verheft ter eere van de ongevleugelde zegegodin. Mocht toch, als ik eens van het wereldtooneel aftreed, geen Atheensch burger iets meer te wenschen overblijven! Dat er nog zoovelen zijn, die ontevreden zijn, is mij eene pijnlijke gedachte. Gij glimlacht? Waarlijk, misschien wil de ernstige, gestrenge Phidias alleen zich zelven voldoen.”

„Dat is juist het moeilijkste,” hernam Phidias.

„Vreest ge niet de tegenstanders?” vervolgde Pericles. „Geef acht, wij hebben overvloed van dezulken. Ook gij wordt benijd, en wat gij werkt, is niet allen welgevallig.”

„Pallas Athene verbiedt mij te vreezen!” [120] hernam Phidias met de woorden van Homerus, en wees met de hand naar het ijzeren reusachtige beeld zijner Athene Promachos, dat te midden van deze mengeling van het oude en het nieuwe op de Acropolis zoo verheven, rustig in den reinen aether zich verhief.

Toen verwijderde Phidias zich om Ictinus weder op te zoeken.

Pericles, de treurspeldichter en de jongeling uit Milete zetten hunne wandeling over de hoogte van de Acropolis voort.

De treurspeldichter verdiepte zich in een aangenaam gesprek met den jongen citherspeler. Hij zelf toch was ook een voortreffelijk beoefenaar van het snarenspel. Zoo fijn en scherpzinnig wist de jongeling zich uit te drukken, dat gene ten laatste verwonderd zeide:

„Ik wist wel dat de Milesiërs zeer beminnelijk waren, maar ik wist nog niet, dat zij zoo wijs tevens zijn.”

„En ik,” hervatte de jongeling, „heb de treurspeldichters der Atheners altijd voor zeer wijs gehouden, maar ik dacht niet, dat ze ook zoo beminnelijk konden zijn. Ik beoordeelde namelijk onberaden uit de dichtwerken zelven de dichters. Hoe komt het, dat uwe tragische dichtkunst tot nu toe zoo weinig rekenschap hield met de zachtere aandoeningen van het menschelijk hart? Grootsch is daar alles, verheven, niet zelden huiveringwekkend, maar aan den zachtsten en toch tevens den machtigsten hartstocht, de liefde, gunt men de plaats niet, die haar toekomt. Anacreon [121] toch en Sappho [122] weten, de een op vroolijken, de andere op weemoedigen toon zooveel van haar te zingen; waarom versmaadde het tot dusverre slechts de treurspeldichter, alleen het grootsche en bovenmenschelijke nastrevend, tonen van die teedere, echt menschelijke aandoening aan te slaan?”

„Jonge vriend,” zeide de dichter glimlachend, „geen waardiger verdediger had de teedere, met pijlen gewapende God [123] kunnen vinden. Weinige dagen geleden is bij mij de gedachte aan een treurspel opgekomen, waarin degeen, wiens verdediger gij heden zijt, wel eene plaats zal worden ingeruimd. Ik weet niet, of die vluchtige gedachte tot ernst zou zijn geworden; maar het treft heel goed, dat ik er door u aan herinnerd word. Ik ben voornemens dat treurspel nu werkelijk te schrijven, daar uwe woorden en nog meer uwe heerlijke oogen mij ten gunste der zaak, die gij voorstaat, hebben ontvlamd en bezield.”

„Voortreffelijk,” hernam de jongeling; „ik zal den geurigsten krans voor den dag uwer zegepraal voor u vlechten”—

„Een krans van roode rozen,” riep de dichter, „daar ik toch in mijn gedicht den alles overwinnenden Eros denk te verheerlijken.”

„Voorzeker,” hernam de jongeling, „en ziedaar, de dankbare, gevleugelde God schijnt te willen, dat ik de rozen voor dien krans aanstonds pluk.” De teedere slanke jongelingsgestalte ijlde tegelijkertijd op een vooruitstekende rots, waar in de spleten een wellicht eeuwen-oude heester stond, die geheel met bloeiende rozen bedekt was.

„Wees voorzichtig, jonge vriend,” zeide de dichter, „gij weet niet op welk eene noodlottige plaats gij staat. Van den top dier rots heeft een koning der Atheners [124] zich in de zee neergestort, omdat zijn beroemde zoon, van de bestrijding van den Minotaurus [125] terugkeerende, verzuimd had, toen hij Athene naderde, als een teeken zijner overwinning het witte zeil te hijschen. Buitendien de voet kan op deze gewijde hoogte geene plaats betreden, waar niet vonken uit het verleden uit den grond opspatten en overoude sagen den wandelaar omruischen.”

„En toch,” hernam Pericles, „terwijl de voet in het stof van het verleden ronddoolt, zwerven de oogen van deze hoogte vrij in het verschiet en baden zich in de volle schoonheid en frischheid van het heden. Zijt gij moedig en behendig, Milesische vriend, volg ons dan over de rots naar de hooge bergvlakte, waar de machtige schutsmuur der Acropolis op uitloopt.”

Lachend snelde de jongeling vooruit en weldra stonden de drie mannen op de verheven sterkte.

„Hoor nu eens,” zeide Pericles, „wat u dit schoone, bochtige Attische strand zegt, deze schitterende golven, deze eilanden die hunne bergtoppen uit het schoonste zeegroen in het schoonste hemelsblauw verheffen! Ginds doemt uit de golven van den Saronischen zeeboezem Aegina [126] op, met zijne talrijke bergkruinen. In die kloven verborgen zich de wilde „Miermenschen” van den voortijd. Thans echter verheft zich op den hoogsten top van het eiland in de eenzaamheid van een schaduwrijk woud, de tempel van den panhelleenschen [127] Zeus, welke ons volk tot een zijner schoonste feesten verzamelt. Daar rechts, korter nabij in dezelfde baai ligt het heerlijke Salamis, de wieg der helden. Behoeft wel de late nazaat voor de schim van den onsterfelijken held te blozen, die van daar tegen Ilium [128] optrok? Werd niet juist daar in die schoone zeeëngte, die ons thans zoo vreedzaam begroet, door ons de beroemdste aller zeeslagen gestreden? En meer zuidelijk, waar de Cithaeron, de Pentelicon en de Parnesus zich als een bolwerk voor Attica verheffen, den westelijk zich uitstrekkenden Hymettus de hand reikende, daar verhalen overoude sagen van leeuwen, die in de woudkloven huisden. Maar onze vaderen hebben de leeuwen geworgd, hunne harten bij het vuur gebraden en opgegeten, om leeuwenmoed en leeuwenkracht hunne nazaten te doen erven. En zoo was het zeker die geërfde leeuwenmoed, waardoor, vlak achter die hoogten, op het slagveld van Marathon, de schitterendste aller overwinningen behaald zijn geworden. De leeuwen en wolven van die kloven zijn geveld, de barbaren uit die sterkten van het Attische strand voor altijd verdreven; rustig delven wij op de plaats van de oude leeuwenjacht het heerlijke Pentelisch marmer en verzamelen den honig van de beroemde Hymettus bijen. Daar achter de Acrocorinthus [129] verheft zich het geweldige Cyllene-gebergte in zilveren glans, en wanneer de laatste nevelsluier in het Westen zal zijn verdreven, dan rijzen de tinnen op van Corinthe [130] uit de blauwe fonkelende zeeëngte. Maar vergeten we den ernstigen groet niet, die over Salamus en Aegina heen ons de naburige Peloponnesus toezendt. Ziet ge die bochtige kusten met de steile hoogten van Argolis en daarachter Arcadië’s bergen? Zoo dikwijls ik over de gedenkteekenen en herinneringen van den Atheenschen roem naar gindsche bergen van de Peloponnesus het oog sla, dan wordt het mij zoo zonderling te moede en het is mij alsof ik de hand op het zwaard moet leggen—het is, alsof zich achter die bergen het sombere Lacedaemon verhief en dreigend daarover heen blikte.”

„Dat toch de blik van staatslieden en veldheeren altijd in het verschiet zweeft,” viel de dichter in. „Is het niet beter, in plaats van het oog te slaan op gindsche bergen van de Peloponnesus, volop te genieten, wat wij hier voor onze oogen hebben? Jongeling, laat u niet verleiden naar de Peloponnesus en hare dreigende bergtoppen. Verlustig u in het vroolijke beeld van het door water en zon begunstigde land daar beneden u, waar in grooten getale de vriendelijke hoeven u toelachen, de bezitting van den nooit vermoeiden Athener, die zoo mogelijk, dag op dag uit de stad naar zijne vruchtboomen en zaadvelden zich begeeft en onderzoekt hoe de slaven zijne runderen oppassen en zijne lammeren en geiten. En hoe bekoorlijk kronkelen zich de wegen tusschen de hoeven, weiden, olijfbosschen, tusschen de altaren der Goden en steenen monumenten naar alle zijden heen. Hier naar den Piraeus, en ginds naar Rhamnus en Marathon. Het schoonst en heerlijkst echter loopt westelijk de weg naar Eleusis, de heilige stad der mysteriën, tusschen tallooze wit schitterende heiligdommen en zilveren populieren en olijf- en vijgeboomen door. En hoe heerlijk ligt de stad zelve daar uitgestrekt tusschen den Ilissus en den Cephissus, de kristalheldere maar kortlevende stroompjes; op de bergen nabij de stad ontspringen zij en bereiken nog niet eens de naburige zee, maar zijn tevreden om als stofregen en dauw de bloemtuinen der Atheners te bevochtigen, of borrelend in duizende bronnen hun jong leven te verspillen. Aan den Ilissus liggen lachende tuinen, door menschen aangelegd; maar een natuurlijke tuin en een liefelijke schaduwrijke oase in het zonnige land van Attica zijn de dalen, waar onder het heldere groen der olijven de schoone beekjes van den Cephissus klateren. Dit oord prijs ik met trots, want daar is mijne geboorteplaats, de heuvel van Colonos [131]. Uw krijgszuchtige vriend Pericles zou u kunnen vertellen, dat in deze streek de schoonste rossen geteeld worden en dat het de wilde, prachtige veulens van Colonos waren, waarvoor in overoude tijden de zeegod den breidel heeft uitgevonden. Maar ik zeg u, dat in dit dal van den Cephissus nooit ruwe winden blazen, dat daar de wijnstok en de vijg bloeien, dat daar, bevochtigd door den reinsten dauw de narcissen tieren en de viooltjes en de gulden crocus en de wijnkleurige klimop...”

De trekken des dichters gloeiden van geestdrift, toen hij in de heldere oogen van den jongeling blikkende, de bekoorlijkheid van zijn geboorteland prees. Eindelijk vatte hij zijn hand en zeide: „Kom toch zelf eens in mijne schoone landstreek, of nog liever, ga terstond met mij en breng den dag door in mijne landelijke woning aan den Cephissus-oever; ik zal u mijne cithers en lyren laten zien en we zullen, als gij er lust in hebt, op de wijze van Arcadische herders, een kleinen wedstrijd houden in zang en snarenspel.”

De citherspeler glimlachte. Pericles zeide na eene pause: „Ik zelf zal weldra den jongen Aspasius als gids naar uwe landelijke woning geleiden; gij hebt ook voor uw wedstrijd in gezang en snarenspel wel een kamprechter noodig”—

„Dus heet de jongeling Aspasius?” riep de dichter uit; „die naam herinnerd mij aan een schoone Milesische, van wie ik in den laatsten tijd veel heb hooren spreken”—

De citherspeler bloosde.

Die blos trof den dichter. Hij hield nog steeds de tot afscheid gereikte hand van den jongen Milesiër in de zijne. En zie, op dit oogenblik werd een gevoel in hem levend, dat hij ongetwijfeld vroeger reeds ondervonden had, maar zonder zich daarvan bewust te zijn.

Hij voelde namelijk op eens duidelijk, dat de hand van den jongen Milesiër zeer fijn, zeer warm en zeer zacht was. Een oogenblik later was hij overtuigd, dat de hand te fijn, te warm en te zacht was, om aan een mannelijken arm, al was die ook nog zoo jong en teer, toe te behooren. De eene helft van het schoone geheim las hij in de purperen kleur op de wangen van den citherspeler, de andere helft had hij, om zoo te zeggen, in zijne hand....

De dichter vergiste zich niet. De hand, die hij in de zijne hield, was niet die van een jongeling. Het was de hand van de schoone Aspasia.

Pericles en de Milesische hadden elkander in den loop der maand, na die eerste ontmoeting ten huize van Phidias, het eerst bij Hipponicus, den goedhartigen gastronoom, die met Pericles bevriend was, wedergezien. Zij ontmoetten elkander dikwijls en ten laatste zouden zij het liefst niet meer van elkaar gescheiden zijn. Aspasia kleedde zich in mansgewaad en vergezelde haar vriend soms onder de vermomming van den „citherspeler van Milete.” Zoo was zij ook heden met hem naar de Acropolis gegaan. Onder weg had zich de treurspeldichter bij hen aangesloten. En zijne ontvankelijke en gevoelige ziel was zonderling getroffen geworden. Door eene betoovering was de dichter in dit gezelschap aangegrepen, die hem zelven onverklaarbaar was. Nu zag hij dit raadsel opgelost. In verwarring liet hij de fijne, zachte hand glippen. Weldra echter greep hij ze weder en zeide met een veel beteekenenden glimlach tot zijn vriend Pericles: „ik bemerk dat Apollo, de God der zieners en dichters, mij nog steeds gunstig is. Hij heeft mij den verren weg naar Delphi bespaard en zelfs mijne nachtelijke sluimering heeft hij niet afgewacht, om mij met openbaringen in den droom te verschijnen; maar plotseling heeft hij mij de gave verleend, onbedriegelijk uit de hand des menschen te voorspellen, en vooral daaruit het geslacht op te maken, ook dan wanneer men het nog zoozeer wil verbergen”—

„Gij zijt van oudsher een lieveling der Goden,” zeide Pericles, „en voor u hebben de Olympiërs geene geheimen”—

„Daar doen ze wèl aan,” hernam de dichter. „Ik reken onder hen ook den Olympiër Pericles”—

„Wat uwe chiromantiek [132] u ook over het geslacht van den Milesischen citherspeler moge verraden hebben,” zeide Pericles, „zeker is het, dat hij recht heeft in mansgewaad te gaan en een mannennaam aan te nemen. De aard der vrouwen is doorgaans ontvankelijk en lijdelijk. Deze daarentegen is van eene steeds werkzame en vruchtbare natuur, en gij kunt hem niet naderen, zonder dat hij invloed op u oefent en een zaadkorrel in uw ziel achterlaat.”

„Ik kan u verklaren,” zeide de dichter, „ook in mij heeft hij zooeven eene dichterlijke vonk, door een paar los daarheen geworpen woorden tot eene heldere vlam aangeblazen. Het is zonderling, welk eene kracht wijze gedachten, door een schoone mond geuit, op ons hebben!—Hoe verleidelijk is het, zich aan zoo’n gewenschte macht nog langer over te geven! Maar de zon neigt achter de hoogten van de Acrocorinthus ten ondergang. In dat boschje slaat een nachtegaal, die, naar ik geloof, uit het vlek Colonos over is gevlogen, om mij te vermanen naar huis terug te keeren. Van den hoogsten top der Acropolis tot gindsche hoeve, die gij daar op de helling van den kleinen heuvel, door de wateren van den Cephissus omspoeld, uit het groen der olijven ziet uitsteken, is een tamelijk lange weg af te leggen. Ik neem derhalve afscheid van u en niettegenstaande de veranderingen, die inmiddels hebben plaats gegrepen, en welke bekoorlijker zijn, dan alle die de mythen ons verhalen, herhaal ik mijne woorden: Kom over naar de streek van Colonos; vlucht daarheen, wanneer u de nabijheid der menschen te drukkend wordt, en breng daar een dag door in de eenzaamheid.”

„We zullen uwe woorden niet vergeten!” zeide Pericles. „Doch laat uwe Muze u volgen in uwe eenzaamheid. In den wedstrijd van alle kunsten moet ook de tragische naar den hoogsten trap streven. Gij hebt ze van de stroeve strengheid van uw voorganger [133] tot zachtheid en reiner menschelijkheid gebracht. Laat uwe nieuwe tragedie den schepper der „Electra” waardig zijn, opdat wij het weldra als de liefelijkste en rijpste vrucht van Sophocles’ Muze moge prijzen en genieten.”

„Mocht slechts,” hernam de dichter, „de geest van dezen citherspeler, van wien ik nog geen citherklank heb gehoord en die mij toch reeds betooverd heeft, mij omzweven. Het schijnt, dat hij de harten der staatsmannen en dichters zich heeft uitgekozen. om zijne melodieën daarop te spelen...”