Part 8
Fier als een koning, droomende van tooneelgelden, openbare spelen, prachtige tempels, schatkamers, gouden en ivoren beelden en zich over dit alles verheugende, als stond het reeds voltooid daar en als ware het eene versiering van zijn eigen huis, ging de marskramer van Halimus door de Zuiderpoort naar zijne woning. Hij vertelde aan allen, die hij ontmoette, wat op de Pnyx was behandeld, en begroette, toen hij in zijn vlek gekomen was, zelfs zijne bruine vrouw, die hem op den drempel van zijn huis met haar kind op den arm te gemoet trad, plechtig met de woorden: „Wij hebben alles toegestaan!”
IV.
DE PANSGROT.
Hoog en breed, in ongestoorde helderheid, welfde zich de hemel des vredes over de stad der Atheners. Hun roem wies zichtbaar en hun macht scheen geen mededinger meer te durven trotseeren. Gedreven door een onwederstaanbaren aandrang en met eene haast, als vreesden zij het rechte tijdstip te verzuimen, gingen de Atheners de plannen van Pericles en Phidias ten uitvoer leggen. Uit alle oorden van Griekenland stroomden geschikte en eerzuchtige jonge kunstenaars Pericles toe. Er waren vele beeldhouwers noodig om voor de gebouwen van de Acropolis het fijne werk te maken. Voor de gevels van den tempel van Pallas moest een niet gering aantal groote godenbeelden vervaardigd worden, voor de metopen [110] en den fries lange rijen van zinnebeeldige voorstellingen gebeiteld worden. Bovendien wedijverden de rijke Atheners bij de beeldhouwers wijgeschenken te bestellen, die zij, gelijktijdig met de opening van den grooten, nieuwen tempel, op de Acropolis wenschten te plaatsen. En de kunstenaars zelven wedijverden met elkander tegen datzelfde tijdstip en met het zelfde doel, het schoonste en beste werk te leveren. Tallooze werk- en timmerlieden waren met den bouw der groote worstelschool en het Odeon bezig; een nog grooter aantal bij de werken op de Acropolis. In de mijnen van den Pentelicon ontwaakte thans een dubbel krachtig leven. Onafgebroken trokken van daar de met muildieren en ossen bespannen vrachtwagens naar de stad. De helling van den rotsachtigen berg der Acropolis weerklonk onophoudelijk van de kreten der drijvers, want het kostte groote moeite de geweldige marmerblokken op de hoogte van den berg te brengen. En evenals naar het marmer op den Pentelikon, groeven de Atheners nu vlijtiger dan ooit naar het edel metaal in den Laurion en naar de voortreffelijke kleiaarde in hun eigen bodem. En wat zij niet hadden, dat brachten hun kooplieden aan over de zee, zooals het cypressen- en ebbenhout en allerlei metalen en verfstoffen, en uit het verre Oosten het ivoor. De steenen en boomen moesten bewerkt worden, de metalen gesmolten; het ivoor door de handen van menschen gaan, die het voor de kunst wisten gereed en vaardig te maken; de goud- en zilverstikkers hadden handen vol werks, om allerlei tempelsieradiën en wijgeschenken te vervaardigen; de touwslagers moesten den bouw -en timmerlieden en wagenrijders buitengewoon sterke touwen leveren, de wegmakers moesten wegen voor de talrijke transporten banen; er was werk overal en alles werd in den bruisenden maalstroom van bedrijvigheid medegesleept. Voor den zwaarsten handenarbeid bij de gebouwen werden zelfs buitenlandsche helpers gehuurd. Bruikbaar boven anderen scheen de stille, ernstige, taaie, geduldige Aegyptenaar. Evenals bij de pyramiden in zijn eigen land, stapelde hij onvermoeid in den vreemde marmerblok op marmerblok met de volharding van een lastdier. Geheel Athene was op dat tijdstip ééne groote kunstenaarswerkplaats.
Als de eigenlijke haard echter, waaruit de offervlammen van dit den Goden welgevallig streven het krachtigste opstegen, stond de doorluchte hoogte van de Acropolis daar, als een oud heiligdom en een sterke burg der Atheners te gelijker tijd, om wier voet de woningen in den omtrek zich samengegroept en tot eene stad vereenigd hadden. Tot een „burg” maakten deze hoogte alleen hare natuurlijke rotsen en de geweldige muren, die haar ten noorden en zuiden beschutten.
Nog is het geen verheffende aanblik, wat zich aan het oog vertoont, en ons op dit oogenblik de hoogte te zien geeft. Wild en woest doet zich de breede hoogvlakte aan ons voor. Overoud puin ligt er verspreid, overblijfselen van vernielde werken, waaruit het nog bruikbare is uitgezocht. Naar de zuidelijke helling is de grond gedeeltelijk uitgegraven en uit de diepte ziet men reeds een hecht steenen fondament, grootendeels op oude overblijfsels rustend, tot aan de oppervlakte van den grond en daarboven verrijzen. De overige vlakte is bijna geheel met marmerblokken bedekt, welke pas gehouwen werden. Aardhoopen, puin en zand zijn in menigte aanwezig, werkplaatsen van allerlei aard vertoonen zich op den achtergrond. Overal wordt het kloppen van hamers gehoord en het knarsen der touwen en het doffe dreunen van steenen en balken en het roepen der opzichters, die het heir van arbeiders leiden en aansporen.
Maar midden in die woelige en rustelooze drukte van hetgeen tot stand gebracht werd op de Acropolis, staat nog een hecht eerwaardig gedenkteeken van den ouden tijd, evenals een grauwe, half vervallen toren aan het strand der zee, waartegen de bruisende golven aanrollen, als om hem met hare branding te ondermijnen en met zich voort te stuwen. Dit gedenkteeken was de zetel van den oudsten eeredienst der Atheners; het geheimzinnige, sombere heiligdom van den „slangvoetigen” Erechtheüs, den Attischen Stamheros,—tevens de vereering van den zeegod Poseidon [111], van de dochter van Cecrops, Pandrosus, en van Athene Polias in zijne gewelven omvattende,—half verwoest in den Perzischen oorlog en verloopig slechts in der haast hersteld.
Zonderling klonken de sagen van Erechtheüs uit de overoude tijden van het Attische land en volk: hoe in eene hechte kist Pallas Athene aan de dochters van koning Cecrops, die heerschte op de Acropolis, het pas geboren „slangvoetige” kind van onzekere afkomst had overgegeven, met het ernstige verbod om de kist te openen; hoe echter Cecrop’s dochters—zij heetten Pandrosus, Aglaurus en Herse—door nieuwsgierigheid gedreven, de kist openden en het knaapje vonden, door eene vreeselijke slang omkronkeld, hoe daarop de jonkvrouwen, waanzinnig geworden van ontzetting over dien aanblik, zich van den hoogen rotswand van de Acropolis nederstortten. De jonge Erechtheüs echter groeide op onder de hoede van koning Cecrops en werd de machtige beschermer der Atheners. Deze tempel nu bevat zijn graf en de gewijde groeve van den halfgod wordt nog steeds als eene bescherming en steun van het land beschouwd.
De ziel echter van den ouden stamheld leeft volgens het geloof der Atheners voort in eene slang die altijd in het heiligdom wordt verpleegd. Dit dier wordt als de geheimzinnige beschermster des tempels geacht en iedere maand brengt men hem honigkoeken ten offer.
Eene heilige bron ontspringt op het gebied des tempels; haar water is zout, alsof het eene onderaardsche gemeenschap heeft met de zee en bij het waaien van den zuidenwind, zeggen de Atheners, bemerkt men daarin het zachte bruischen der zeegolven. En geen wonder; want, naar de bewering der Atheners, deed de zeegod Poseidon, met een slag van zijn geweldigen drietand, uit de rots der Acropolis deze bron ontspringen, toen hij met Pallas Athene streed om het bezit van het Attische land. Nog zijn in den rotsachtigen grond de sporen van den drietand des Gods aanwezig en ieder kan ze met eigen oogen aanschouwen. Pallas Athene echter liet tegenover de bron een olijfboom opgroeien, den olijfboom, waarvan alle andere olijfboomen in Attica, die trots en grootste zegen van het Attische land, afstammen. Door dien olijfboom echter behaalde de wijze Pallas Athene in den wedstrijd der zegeningen, de overwinning op den machtigen drietandzwaaier. Ook dezen overouden heiligen olijfboom houdt nog het tempelgebied omsloten. De Pers had hem verbrand, den volgenden morgen evenwel was hij door de gunst der Goden weder herrezen en stond daar in volle schoonheid. Het heiligste monument echter in het gebied van het Erechtheüm is het overoude beeld van Athene Polias van olijvenhout, niet door een menschenhand gesneden, maar uit den hemel gevallen. Erechtheüs zelf had het opgericht en onveranderd—zoo leert het priestergeslacht dat in het heiligdom van Erechtheüs den dienst verricht—moet het op die plaats bewaard blijven, tot in de verste tijden. Eene eeuwige lamp brandt voor dat beeld in de donkere ruimte des tempels. Ook merkwaardige wijgeschenken zijn daar te vinden: een houten Hermesbeeld [112], voortdurend, sedert den tijd van Cecrops, met levende, groene, myrthentakken, zonder wortels, omkranst, een eigenaardig gevormde zetel, dien de kunstenaar Daedalus [113] in overoude tijden had gemaakt; alsmede zegeteekenen uit de Perzische oorlogen: buitgemaakte wapenrustingen en zwaarden van overwonnen Perzische aanvoerders.
Vóór den tempel echter onder den open hemel staat een altaar van Zeus.
Geen levend wezen mag daarop geofferd; zelfs geen wijn er op geplengd worden; alleen offerkoeken worden hier den Oppergod gebracht.
Aldus is het gelegen met het in de zangen van Homerus reeds vermelde „huis van Erechtheüs,” hetwelk verscheiden tempelzalen voor de vereering der bovengemelde godheden bevat en aan de noordelijke helling van den berg op den oneffenen bodem zich verheft. Vlak daartegenover zal men het nieuwe prachtige heiligdom van Pallas Athene oprichten.
Eene heilige plechtigheid wordt juist vóór den ingang van den tempel verricht.
Van tijd tot tijd wordt het oude houten beeld van Athene Polias gereinigd en op nieuw bekleed; die reiniging pleegt op een plechtige wijze te geschieden. Het is een godsdienstig feest als een ander, en dit feest vond nu juist plaats. Men heeft het beeld zijne sieradiën en gewaad afgenomen en er een doek over heen gespreid terwijl daartoe aangewezene personen bezig zijn het gewaad te wasschen. En opdat niemand ongeroepen dezen tempel zou binnentreden is er een koord voor gespannen, zoolang de heilige plechtigheid duurt.
De reiniging is nu volbracht, de Godin wordt weder gekleed, het haar—want haar hoofd is met golvende lokken voorzien—wordt zorgvuldig gekamd en opgemaakt, haar lichaam op nieuw getooid met kransen, diademen, halskettingen en oorbellen.
De personen, die aan den heiligen dienst deel hebben genomen, verwijderen zich. Weldra ziet men nog maar twee mannen op de trappen vóór den ingang van den tempel staan en zich samen onderhouden. De een van hen is de priester van den Erechtheüs-tempel, Diopithes. Zijn gelaat is somber en hij werpt toornige blikken van den drempel des tempels naar de schare van arbeiders, wier geraas en drukte hem als eene snoode verstoring van de heilige plechtigheid voorkomt.
Het geslacht der Eteobutaden, waaruit sedert overoude tijden de priester van Erechtheüs en de hem ter zijde staande priesteres van Athene Polias stamden, was het oudste en geruimen tijd het aanzienlijkste priestergeslacht in geheel Attica. Maar in latere tijden hadden de verwante Eumolpiden, het priestergeslacht van Demeter [114] te Eleusis [115], met wier eeredienst de groote mysteriën verbonden waren, als Hiërophanten of opperpriesters van deze geheimzinnige feesten van Eleusis tot een nog hoogeren rang in de Attische hiërarchie [116] zich weten te verheffen. Niet zonder geheimen wrok verdroegen de Eteobutaden deze vernedering. Maar deze wrok alleen was het niet, die het gemoed van Diopithes, den tegenwoordigen priester in het heiligdom van Erechtheüs op den burg, verduisterde.
Opnieuw een ontevreden blik op den arbeid van het Parthenon slaande, begon hij tot den man, die met het onderworpen gelaat van een vertrouwde en helper naast hem stond en die niemand anders was dan Lampon, de ziener, die vroeger ten huize van Pericles was geroepen om het wonderteeken van den eenhoornigen ram te verklaren.
„De vrede,” zei hij, „is van deze gewijde hoogte geweken, sedert op haar de woelige schare van Phidias en Callicrates huishoudt, en het zou mij niet verwonderen, wanneer de Goden zelve weldra van het gedruisch van die dwaze en goddelooze menschen zich terugtrekken. Want dwaas en goddeloos is het, wat zij doen, en nimmer kan het den Goden behagen. In plaats van vooreerst het overoude heiligdom van Erechtheüs in heerlijken glans te herstellen, dat slechts voorloopig door den nood der tijden, toen de Pers zijne godschennende hand daaraan had geslagen, is hersteld geworden, beginnen thans die Pericles en Phidias een geheel nieuwen, onnutten prachttempel vlak tegenover dat oude, eerwaarde heiligdom te bouwen. Liet ik mijn blik tot nu toe ongehinderd van deze plaats tot in het verst verschiet weiden, zoo ligt nu weldra deze prachttempel als een wal voor mijne oogen. O, ik weet wat zij willen, die heimelijke godloochenaars. Zij willen dezen ouden eerwaardigen tempel en zijne Goden verdringen, den ouden, gestrengen eeredienst willen zij verdelgen en met hem de echte vroomheid; zij willen op de plaats der oude tempels en der oude godenbeelden zulke oprichten, die door hun ijdelen pronk en glans alleen het oog verblinden, maar geen gevoel voor ware godsvrucht in het hart opwekken. Wat zal het worden, dit „huis der jonkvrouw”, die Parthenon? Een tempel zonder priesters, zonder eeredienst, een praalgebouw, een doel- en middelpunt alleen voor de schitterende feesten der Panathenaeën, en daarnevens—doch neen, niet daarnevens maar in zijn eigen zalen, o schande! eene schatkamer, eene bewaarplaats voor het goud der Atheners, dat zij op eerlijke of oneerlijke wijze aan zich hebben gebracht! Slechts als beschermster van dit goud plaatsen zij in hun tempel de Godin! En welke Godin? wat beteekent dat pronkbeeld uit goud en ivoor? Een maaksel zal het zijn van menschenhanden. Het oude houten beeld, hetwelk deze onaanzienlijke tempel bevat, is door geen roemzucht eens stervelings vervaardigd—goddelijk is zijn oorsprong en door goddelijke genade is het den Atheners ten deel gevallen!”
Zoo sprak Diopithes.
„Het is een booze tijd,” zeide Lampon met goedkeurenden knik. „Het eenvoudige, het oude, het eerwaardige, het heilige is op verre na niet meer geacht en weldra zal het menschelijke in laatdunkenden trots zich boven het goddelijke willen verheffen.”
Zachter en met een geheimzinnig gelaat ving nu Diopithes weder aan:
„Die Pericles en die Phidias, die de Atheners tot den nieuwen bouw hebben overreed, weten toch één ding niet, wat wij Erechtheüs-priesters weten, en dat wij, die hier boven op den burgt wonen, boven alle andere menschen kunnen weten: dat juist die plek daar ginds, waar zij den prachtigen gevel en den hoofdingang van hun nieuwen tempel willen oprichten, tot die plaatsen behoort, die men de „onderaardsche” noemt, tot die plaatsen, waar nooit een vogel uit de lucht neerstrijkt, of hij, die het doet, valt dood neder, als door een giftigen adem getroffen. Laat ze maar bouwen, de Atheners, op die ongeluksplaats; zij zullen geen zegen, zij zullen slechts vloek daarmede op zich laden! Het is het erfdeel der Atheners, onberaden te handelen. Weinigen weten, van waar dat komt. Wij Eteobutaden weten het. Poseidon, overwonnen in den kampstrijd met Pallas Athene, verstoord om zijne nederlaag, doemde de Atheners voor alle tijden tot onverstandigen raad!”
„Onverstandig zijn zij,” hernam Lampon, „en onverstandig zijn hunne leidslieden, omdat zij naar de leer luisteren van hen, die zich wereldwijzen en waarheidsvrienden noemen. Naar Pericles hooren de Atheners; Pericles zelf luistert naar Anaxagoras, den Clazomeniër, die de natuur bespiedt en die, omdat hij alles tot natuurlijke oorzaken wil terug brengen, daarom het bestaan der Goden ontkent. Onlangs nog werd ik in het huis van Pericles geroepen, om een wonderteeken te verklaren, dat zich daar had vertoond. Er was namelijk op Pericles’ landgoed een ram met één hoorn midden op het voorhoofd geboren. Ik deed wat men verlangde, naar de regelen mijner kunst, en Pericles kon over mijne prophetie tevreden zijn. Maar ik werd met ondank beloond, want Pericles zweeg geheel stil en Anaxagoras, die juist bij hem was, glimlachte, alsof mijn werk ijdel en mijne uitspraak dwaas was!”
„Ik ken hem,” hervatte Diopithes en een donker vuur bliksemde in zijne oogen, „ik ken hem wel, den Clazomeniër; ik had onlangs op den weg naar den Piraeus een gesprek met hem over Goden en goddelijke zaken en ik zag dat zijne wijsheid eene verderfelijke is. Zulke mannen mogen in onzen staat niet geduld worden. Of is het zoover met ons gekomen, dat de wetten te Athene niet meer van kracht zijn tegen godloochenaars? Neen, nog doortrilt den meesten Atheners een kille huivering bij dezen naam!”
Zoo sprak Diopithes. Terwijl hij nu naar den rechterkant een scherpen blik sloeg, wees hij naar eenige mannen, welke in een levendig gesprek gewikkeld, den eenigen weg, die naar den heuvel der Acropolis voerde, over de westelijke helling opgingen.
„Mij dunkt,” zeide Diopithes, „ik zie daar den onverstandigen raadsman van het Atheensche volk, den vriend en beschermer van Anaxagoras juist aankomen. Aan zijne zijde gaat, wanneer mijn oog mij niet bedriegt, een van die nieuwerwetsche tooneeldichters, die den eerwaarden Aeschylus [117] meenen overtroffen te hebben. Maar wie is echter die derde, die fijne, slanke jongelingsgestalte, die aan de andere zijde van Pericles gaat?”
„Dat is zeker,” antwoordde Lampon, „die jonge citherspeler uit Milete, dien Pericles, naar ik hoor, lief heeft en die thans overal met hem gezien wordt.”
„Een jong citherspeler uit Milete?” vroeg Diopithes, de goedgebouwde gestalte van den Milesischen jongeling nauwlettend beschouwende, „ik heb tot dusverre slechts geweten, dat Pericles een kenner en bewonderaar is van de bekoorlijkheden der schoone kunne, nu zie ik dat hij het schoone overal weet te waardeeren; want deze jongeling, bij de Goden, is waardig, niet slechts Pericles, den zoogenaamden Olympiër, maar den beheerscher zelven van den Olympus, den oppersten Zeus, als schenker te dienen. Het verwondert mij echter, dat deze zoogenaamde Olympiër, de zoo geroemde Pericles, vermetel genoeg is om zich openlijk voor de oogen der Atheners met zijn lieveling te vertoonen.”
Terwijl de Erechtheüs-priester zoo den jongeling, die met Pericles was, te gelijk met afgunstige en wellustige blikken beschouwde, waren de drie mannen genaderd.
Bekoorlijk schoon en teeder was de jeugdige gestalte, welke Lampon aan Diopithes als een citherspeler uit Milete had doen kennen. De treurspeldichter, die zich eveneens in gezelschap van Pericles bevond, wierp soms een vurigen blik op den bekoorlijken jongeling, en richtte bij voorkeur het woord tot den Milesiër. De dichter zelf was schoon en van een statig voorkomen. Zijn helder voorhoofd scheen als door een vroolijken, hemelschen glans omstraald.
Thans trad uit de schare der bouwlieden Callicrates den aangekomenen te gemoet, de wakkere meester, wien de uitvoering was opgedragen van datgene wat Phidias en Ictinus in de eenzaamheid hadden overpeinsd en ontworpen. Men kon het den man wel aanzien, dat het zijn werk was onophoudelijk heen en weer te loopen in de hitte der zon tusschen de steenblokken en de zwoegende en slavende arbeiders op de hoogte van de Acropolis. Zijn gelaat was verbrand en zijne kleur stak nauwelijks af bij den donkeren baard, die het omgaf. Het niet minder donker, doordringend en bliksemend oog scheen geheel vervuld van den gloed der zon. Zijne geheele gespierde gestalte scheen als geblakerd. Zijn gewaad onderscheidde zich zeer weinig van de kleeding der werklieden. Achteloos hing de lap, waarvan de kleur niet meer te onderkennen was, dien hij zijn chiton noemde, om zijne gebruinde ledematen. En evenals hij nu onder de schare der werklieden arbeidde, zoo had hij reeds menig jaar bij den langen muur daar beneden, die zijn werk was en die hij onlangs tot vreugde van Pericles had voltooid, zijne beste krachten aan het nut zijner medeburgers gewijd.
Pericles deed Callicrates verscheidene vragen, aangaande de vorderingen der werken. Met voldoening wees Callicrates hem op de nu gelegde grondvesten, die samengevoegd waren uit reusachtige, vierkantige steenen.
„Gij ziet,” zeide hij, „dat het fundament gereed is, benevens de drie groote marmeren trappen, die het omgeven. Zie eens hoe het zich bijna over den geheelen zuidelijken kant van den heuvel uitstrekt! Reeds zijn ook de tusschenruimten der zuilen afgestoken en eveneens de omtrekken der binnenmuren; zoo ook die van het vertrek voor het beeld der Godin, en van het achterhuis voor den schat, ook aan de voetstukken der zuilen wordt gewerkt en aan het taflement; natuurlijk wordt alles nog maar in het ruwe bearbeid; want het fijnere werk volgt eerst, wanneer het geheel in algemeene trekken samengevoegd daarstaat, en gij moogt voorloopig geen oordeel vellen, naar hetgeen er thans verrezen is. Gij zult wat geduld moeten oefenen; want Ictinus is een talmer en Phidias eveneens...”
„Ik kan mij best voorstellen,” hernam Pericles, „dat de nauwgezette Ictinus nooit over zich zelven te vreden is.”
„En Phidias evenzoo,” herhaalde Callicrates, bijna verdrietig. „Dagen lang zitten zij samen te fluisteren, met hun beschreven tafels en bladen vóór zich, en rekenen en passen, peinzende over de juiste tusschenruimten, de dikte en helling der kroonlijsten en kapiteelen; dan weer gaan ze naar den Theseus-tempel en meten daar de omtrekken van zuilen en taflement en voelen zich dan ook niet te vreden als zij de balken wat te zwaar of de tusschenruimten der zuilen iets te groot bevinden en wenschen dat het hier beter zal worden. En dan rekenen en meten zij weer en zijn het onderling niet eens en nemen proeven om te zien, hoeveel sterker de hoekzuilen moeten zijn dan de andere, en hoeveel dichter de hoekzuilen bij de naastbij zijnde moeten staan, dan de afstand der andere onderling, hoe de schacht zich naar boven en onder moet verdunnen, hoeveel hier van den Dorischen, daar van den Ionischen stijl [118] moet ontleend worden, en hoeveel strepen de uitwijking van dien balk of van die kroonlijst of van dat kapiteel of fries sterker of zwakker mag gemaakt worden, opdat er eene tot nu toe onbereikte harmonie in het geheele werk moge verkregen worden.”
„Wie zou een Ictinus niet om zijn fijn ontwikkelden kenners- en kunstenaarsblik benijden!” riep Pericles.
„Hij heeft het oog van een valk,” hernam Callicrates. „Gij kunt u niet voorstellen, hoe verwonderlijk sterk het waarnemingsvermogen van dien man is. Hij heeft den duimstok altijd in de hand, maar hij gebruikt hem zelden, want zien is hem even zeker als meten en uitrekenen. Het aangeboren vermogen om met zijn oog te meten, is zoo verbazend, dat hij kleine verschillen opmerkt, waarvan de leek nauwelijks een flauw begrip heeft. Hij ziet, om zoo te zeggen, met een oog dat tast en voelt, en hij tast en voelt met een vinger, die ziet. En met Phidias is het evenzoo. Deze pleegt te zeggen en gij hebt het zeker wel uit zijn mond gehoord: „geef mij een leeuwenklauw en ik zal u daarnaar den heelen leeuw vormen!”—Zoo scherp en geoefend is het oog van Phidias en zijn kunstgevoel voor alles, wat men vorm, wezen en harmonie noemt.”
„Waarom zou het oog der Hellenen ook niet even fijn gevoelig kunnen worden, als hun oor?” zeide de dichter. „Wij dichters en toonkunstenaars” en hij wierp bij deze woorden een blik op den jongen citherspeler—„wij voelen de kleinste fijnheden en afwisselingen in den rhythmus [119] en hooren tusschentonen daarin, die voor het oor van den leek niet merkbaar zijn.”