Part 7
De omstanders lachten. Phidippides begon nu weer: „Ziet toch eens de rijkste mannen van Athene. Zij weten wel, waarmede zij den grootsten roem kunnen behalen: niet door prachtige huizen voor zich te bouwen, maar door schepen voor den staat uit te rusten, door koren uit de openbare schouwspelen op hunne eigen kosten op te voeren en andere dergelijke dingen te doen, waartoe de wet hen wel verplicht, maar waarin zij onder elkander een roemrijken wedijver aan den dag leggen, door meer te doen, dan wat van hen gevorderd wordt. Is er iets, waarvoor zij hun rijkdommen liever besteden, dan hiervoor, hoewel zij er slechts den glans van den staat door opluisteren, terwijl zij zich zelven bijna tot armoede brengen?”
„Inderdaad,” viel de oligarch in, „zoo handelen de rijken. Ongelukkig echter komt het thans bij die diensten meer op uiterlijken praal aan, dan op het degelijke en waarlijk belangrijke. De Triërarchen gaan dikwijls aan boord, zonder zich voor hunne manschappen van iets anders dan van meel, uien en kaas te hebben voorzien. Zij echter, die een koor voor een treurspel op hunne kosten inrichten en opvoeren, kweeken deze choreuten [104] tot ontwikkeling en behoud hunner stem een geruimen tijd op met allerlei zoetigheden en lekkernijen, en moeten het bovendien nog verdragen, wanneer hun koor in een wedstrijd overwonnen wordt, dat ze uitgelachen en beschimpt worden. Deze gewoonten zullen ons verwijfd maken. We moesten toch een weinig meer acht geven op het voorbeeld der mannelijke, krijgshaftige Spartanen.”
„Hij is een vriend der Laconiërs!” riepen sommigen uit den kring op spottenden toon.
„Ja, zeker een vriend der Laconiërs!” zeide de oligarch. „Ik herhaal het, wij moeten het voorbeeld der Spartanen navolgen, anders zal onze heerlijkheid niet lang duren, vooral als wij voortgaan met de teugels van den staat hoe langer zoo meer in de handen van onbemiddelde, hongerige, omkoopbare lieden uit het volk te laten glijden.”
De marskramer van Halimus, die uit de verte toehoorde, balde bij deze woorden van den oligarch op nieuw de vuist. Met moeite bracht hem een zijner kameraden tot bedaren.
„Ik heb verleden nacht een wonderlijken droom gehad,” ving thans een uit den kring der mannen aan, „en ik zou wel willen weten, wat die beteekende. Ik zag eerst een groote duisternis rondom mij uitgebreid. Toen zag ik een man komen—hij had de trekken van Pericles—en eene fakkel ontsteken, die steeds grooter werd, totdat zij ten laatste als eene gloeiende zon van den hemel glansde. Toen schitterde alles rondom in een helder daglicht. Maar die reusachtige fakkel begon juist door hare heete stralen weer dampen uit de aarde tot zich te trekken—deze werden al dichter en somberder en pakten zich samen tot wolken, en ten laatste verdween de fakkel geheel en al achter deze en werd het weer even donker als te voren. Het was eene zeldzame afwisseling van licht en duisternis. Zou deze droom ook een onheil beteekenen?”
„Niet alle droomen zijn door de Goden gezonden,” hernam een der toehoorders.
„Gij dwaalt,” zei de oligarch. „Droomen hebben steeds eene beteekenis. Ik zelf ben eens gered door een waarschuwenden droom, toen ik mij op een schip wilde begeven, dat later met man en muis in de golven verdween. De Goden hebben niet gewild, dat ik op zulk eene wijze zou omkomen.”
„Misschien wilden zij, dat gij gehangen werd!” schreeuwde de kramer van Halimus, die zijn lang ingehouden toorn niet meer kon bedwingen.
De oligarch wierp een donkeren blik op den man, die zóó gesproken had. Het scheen, dat hij den vermetelen spotter het duur betaald wilde zetten.
Maar toen hij in den kring rondzag, las hij op de gezichten, dat men het met den spotter eens was, en daar deze zoo strijdlustig op hem toetrad, alsof hij hem met zijne krachtige vuisten te lijf wilde, achtte hij het wijzer in het gedrang van het volk te verdwijnen. Het volk zette zich in beweging om den weg naar den heuvel der Pnyx in te slaan, want het uur van de volksvergadering was gekomen.
Ook de marskramer van Halimus sloot zich daarbij aan. Nog steeds gloeiend van toorn tegen den oligarch. De Sicyoniër liep in zijne nabijheid. „Hebt ge gehoord,” sprak hij, zich tot hem wendende, „wat zoo’n schurk van een oligarch zich nog in Athene veroorlooft? Het gemeene volk te verachten! Een van ons te verachten, omdat men arm is—alsof wij daarom minder Atheensche burgers waren! ’t Is waar, ik ben slechts een marskramer en mijne vrouw heeft zich in den grootsten nood een paar maal als min moeten verhuren. Maar de wet verbiedt uitdrukkelijk, dat men een Atheensch burger, wanneer hij uit armoede een eerlijk beroep uitoefent, dit voor de voeten werpt. En bij Pallas, ik ben een Atheensch burger, zoo goed als iemand anders, al woon ik ook niet in de Tripodenstraat, maar in een nederig voorstadje aan de bocht van Phaleron. Nu, ik denk maar, het is beter, met de mars op den rug zijn kost te zoeken, dan zooals zij leven, die liever verhongeren willen dan werken, maar het toch niet beneden hunne waardigheid achten, als tafelschuimers de borden van andere menschen af te likken of rond te gaan en te loeren, of soms ergens iemand zich willens of wetens aan eene van de tallooze wetten van Athene vergrijpt, om hem te kunnen aanklagen en van de geldboete, waartoe hij veroordeeld wordt, zijne bepaalde portie af te strijken. Houden zij het voor eene eer als parasiet [105] of sycophant [106] te leven, wel bekome het hun. Ik echter acht mij veel beter dan hen, en wie met mij den spot wil drijven, hij kome op: daar sta ik en vrees niemand, ik, de marskramer van Halimus. Ik vervul mijn burgerplicht zoo goed als iemand: ik doe wat brood en uien in mijn ransel en sta dan welgemoed den ganschen dag op de Pnyx ten dienste van mijn vaderland. Ik dank den Goden, dat ik Athener geboren ben; en wanneer ik zoo op den vroegen morgen van Halimus naar de stad wandel en de Acropolis in den glans der morgenzon mij zie toelachen en de reusachtige Athene Promachos mij schijnt te wenken en te zeggen: „Ook gij zijt een mijner zonen!” dan gaat mijn hart open en in stilte breng ik mijn dank aan Theseus, dat hij ons, kinderen van het Attische land, allen, onverschillig of wij in de stad of in de landelijke wijken wonen, in den tijd onzer voorvaderen, tot één staat heeft vereenigd. Want dit moet gij overige Grieken toch toegeven, dat evenals steden van dorpen verschillen, zoo ook ons Athene zich van alle overige Grieksche steden onderscheidt. Wij Atheners zijn nu eenmaal autochthonen [107] en hebben onbetwist het zuiverste, meest onvermengde Hellenenbloed in de aderen. Gij begrijpt echter tevens, dat het niet weinig beteekent, een staat als deze, als burger mede te helpen regeeren en besturen. Het heeft mij in de laatste dagen heel wat hoofdbrekens gekost om te overleggen, in hoeverre men de voorstellen van den strateeg Pericles moet ondersteunen. Pericles is verstandig, zeer verstandig en ik ben zeer ingenomen met het overbrengen van de bondskas van Delos naar Athene: eveneens met het besteden der gelden ten bate van het volk en met den nieuwen tempel van Athene op den burg. Maar wij burgers kunnen van den anderen kant maar niet zoo grif alles toegeven, alsof het zoo zijn moest—wij moeten altijd laten merken, dat wij de baas zijn en dat wij te beslissen hebben, wij het volk, en dat wij eene volksregeering hier in Athene hebben....”
Zoo sprak de marskramer van Halimus, in het bewustzijn dat hij een Atheensch burger was, tot zijn nieuwen makker uit Sicyon. Toen ging hij naar den winkel van zijn vriend, den barbier Sporgilus, liet zich door hem kin en wang glad scheren, om er onder zijne medeburgers in de volksvergadering netjes uit te zien; tevens gaf hij Sporgilus zijne mars, om die te bewaren, tot hij van de volksvergadering zou zijn teruggekomen.
Inmiddels was door eene troep Scythische boogschutters, aangevoerd door een der zoogenaamde Lexiarchen, om de Agora een touw gespannen, zoo, dat alleen die straat vrij bleef, welke naar den heuvel der Pnyx leidde—een oud gebruik, waarvan de strekking was, om de Atheners, die gaarne op de markt pratende den tijd vergaten, aan den weg te herinneren, dien zij moesten inslaan. En daar het touw met menie bestreken was, om hen, die er over heen sprongen rood te verven, zoo liep de achterblijver groote kans zich aan gelach der spottende menigte bloot te stellen.
De marskramer sloeg met de menigte zijner medeburgers den weg naar de Pnyx in. De kameraad bleef aan zijne zijde, begeerig nog een en ander van hem te zullen hooren. Tot aan de afsluiting van de plaats der volksvergadering mocht hij hem slechts vergezellen.
De heuvel der Pnyx is de middelste van de drie, die aan de westzijde van de stad zich uitstrekken. In het noordwesten scheidt hem eene kloof van van den zoogenoemden Nymphen-heuvel, ten zuiden eene nog diepere kloof, waardoor een in de rotsen gehouwen rijweg loopt, van den Museum-heuvel, die het hoogst zich verheft in de groep van steile hoogten. Ten noorden en zuiden loopt de heuvel vrij glooiend naar de vlakte af, op de oostelijke helling echter, in de richting van de Acropolis, omgeeft een steil muurterras, in een halven cirkel, den grond, verbreedt de oppervlakte van den heuvel en maakt zijne oneffenheden glad. Trappen in de rotsen uitgehouwen, en door kunst gebaande wegen voeren tot deze deels door de natuur, deels door menschenhanden gemaakte hoogvlakte heen, die in overoude tijden het in rotsen uitgehouwen altaar van den oppersten God droeg.
De bandkramer van Halimus en zijn vriend uit Sicyon hadden de hoogte bereikt. De slagboomen waren geopend, doch aan den ingang stonden de Lexiarchen, ten getale van zes, ambtenaren met de lijsten der Atheensche burgers in de handen, om te zorgen dat geen onbevoegde in de vergadering van burgers binnensloop. Dertig helpers stonden hun ter zijde.
Het volk stroomde het wijde, omheinde perk binnen, waarover alleen de blauwe hemel zich welfde. De marskramer hield echter den vreemdeling, die voor de omheining moest blijven, nog een oogenblik gezelschap. Met nieuwsgierige blikken keek de Sicyoniër over de heining heen naar de ruimte, die zich met de dichte massa’s van het aandringende volk vulde. Hij zag den achtergrond van den heuvel door een rotswand afgesloten, waaruit een hooge steen zich verhief, in den vorm van een dobbelsteen. Deze vierkante steen was het spreekgestoelte, van waar de redenaars tot het volk spraken. Van beide zijden voerde een smalle trap daarheen. In oude tijden was deze plaats een heiligdom, deze dobbelsteen het altaar van den oppersten Zeus geweest. Tegenover het spreekgestoelte strekten zich achter elkaar een aantal steenen banken uit, waarop een deel der vergaderden plaats konden nemen.
Nadat de vreemdeling deze dingen had beschouwd, keerde hij zich om en liet zijn blik van de hoogte van den ruimen heuvel over de stad wijden. Hij zag vóór zich de geheele stad der Atheners, in een kring om den heiligen berg der Acropolis gelegen, die op geringen afstand juist tegenover de Pnyx zich verhief. De aderen der op elkaar gestapelde rotsbrokken fonkelden in de stralen der zon. Ter linkerzijde van den berg der Acropolis verhief zich, wel veel onaanzienlijker maar als een reusachtig gehouwen rotsblok opdoemend, de Aresheuvel, de gewijde plaats van den Areopagus, met het oude, huiveringwekkende heiligdom der Eumeniden [108].
Steeds sterker werd het gedrang des volks ter plaatse, waar de Lexiarchen stonden, bij den ingang. Levendig vertoonde zich ook hier, evenals op de Agora, de aard der Atheners. Ieder oogenblik weerklonken de kreten van den Lexiarch: „Vooruit, Eubulides! praat niet zoo lang bij den slagboom!” „Bedaard, Charondas! blijf niet staan in het gedrang. Maak plaats voor de volgenden!”
De marskramer van Halimus drong ter zijde, om zonder dat de strenge ambtenaars het bemerkten, zijn nieuwsgierigen vriend uit Sicyon in het gedrang der toestroomenden enkele personen te wijzen, die hem tot de eene of andere aanmerking aanleiding gaven.
„Ziet ge,” zeide hij, „daar ginds de beide mannen, met hun lange ongekamde baarden en hunne sombere gezichten, met die korte en grove mantels en een dikken stok in de hand? Hunne ooren staan plat tegen het hoofd gedrukt, alsof ze iederen dag elkander met hunne ijzeren vuisten om het hoofd sloegen. Zij zien er uit als athleten, die minstens eenmaal reeds in Olympia hebben gezegevierd. Dat zijn die menschen, welke wij Laconisten plegen te noemen, weet ge, die met Sparta dweepen en hier gaarne alles zoo zouden willen zien, als het daar is...”
Weder stootte de kramer zijn kameraad aan: „die daar is Phidias—Phidias, de beeldhouwer, die de groote Athene Promachos op den burg heeft gemaakt—de schaar, die hem omstuwt, zijn zijne jongeren, zijne leerlingen en helpers—die stemmen allen voor Pericles.”
Nu naderden de prytanen. De marskramer wees ze zijn makker. Maar weldra stootte hij hem harder aan: „Zie daar, dat is Pericles! De strateeg Pericles!”
„En die hem vergezellen?” vroeg de Sicyoniër.
„Dat zijn ook strategen,” hernam de marskramer.
„Hoe heeten zij?” vroeg hij.
„Dat mogen de Goden weten!” antwoordde de kramer. „Ik geloof, dat er tien strategen te Athene zijn, maar wij kennen alleen Pericles.”
„En de eerwaarde mannen, die daar met zoo deftige stap naderen?” vervolgde de Sicyoniër.
„Dat zijn de negen Archonten!” zeide de marskramer.
„Zijn deze niet,” hernam de Sicyoniër, „van alle overheidspersonen bij u het meest in aanzien?”
„Ja wel in aanzien,” hernam de marskramer, „maar toch wij stellen de strategen hooger.”
„Hoe zoo?” vroeg hij.
„Omdat wij daartoe onze beste koppen kiezen,” antwoordde de kramer met een beteekenend gezicht. „Bij de Archonten zien wij op ouderdom, onbesmetten naam en een eerwaardig uiterlijk. Groote eer geniet zulk een Archont, zeer groote eer, dat valt niet te ontkennen; zijn persoon wordt bijna voor heilig geacht. Daarom echter ziet het er erg voor hem uit, als zijn ambtsjaar om is en wij niet heel te vreden met hem geweest zijn. Wij veroordeelen hem—raad eens waartoe? Om een levensgroot standbeeld uit zuiver goud den God te Delphi te wijden.”
„Een levensgroot standbeeld uit zuiver goud?” riep de Sicyoniër verbaasd uit, „dat kan immers niemand betalen.”
„Juist daarom!” hernam de marskramer. „Een schuldenaar van den staat, die niet betalen kan, wordt volgens onze wet burgerlijk met eerloosheid gestraft. Zulk een Archont blijft derhalve zijn geheele leven lang eerloos. En te recht. Heeft hij vroeger groote eer genoten, zoo moet hij nu ook groote schande daarvoor dragen.”
„Wie is toch die lamme, kreupele, met lompen bedekte man, met den bedelzak op den schouder, die daar met allerlei dolle gebaren bij den ingang de volksvergadering tracht binnen te dringen?”
„Dien kwaadaardig grijnzenden bedelaar, meent ge?” sprak de bandkramer. „Dat overal bekende menschenkind is als slaaf in een proces van zijn heer gefolterd geworden en van dien tijd af kreupel gebleven; hij heeft er ook zijn verstand half bij verloren en begaat nu, als bedelaar rondzwervende, de dwaasheid, zich overal in te dringen, waar Atheensche burgers verzameld zijn, op de markt, op de Pnyx en waar niet al. Steeds wordt hij hier door de Lexiarchen geweerd; dan antwoordt hij hen met smaadredenen en scheldt op het geheele Atheensche volk, waarvoor hij dikwijls slaag heeft gekregen of zelfs met steenen is geworpen, wanneer de jonge beeldhouwer Socrates hem niet in bescherming neemt, die zich gaarne over den „dollen Meno”—zoo noemt men hem—ontfermt en dien gij ook nu weder in zijne nabijheid ziet.”
Thans werd de vlag ingehaald, die van de hoogte der Pnyx den Atheners de ophanden zijnde volksvergadering had aangekondigd. Dat inhalen was een teeken, dat de vergadering geopend was. Nu haastte zich ook de kramer van Halimus de omheining binnen te gaan, terwijl hij met een mengeling van trots en medelijden van den Sicyoniër afscheid nam, die voor den slagboom moest achterblijven. Als het getjilp van een vol vogelnest klonken de verschillende stemmen der Atheners, die zich de groote ruimte binnen drongen.
Thans gebood de heraut stilte; zijn krachtige stem klonk heinde en ver over de heuvels. En het werd stil.
De Sicyoniër was blijven staan, waar hij straks het gesprek met den kramer uit Halimus had gevoerd, en nam, zoo goed dit uit de verte mogelijk was, waar, hetgeen daarbinnen die wijd uitgestrekte ruimte, door eene dicht opeengedrongen menschenmassa gevuld, geschiedde. Zijne standplaats was iets hooger, zoodat hij over de hoofden der menigte kon heenzien.
Hij zag, hoe thans, nadat de stilte was hersteld, een varken, als reinigingsoffer geslacht, onder begeleiding van een priester werd rondgedragen, en dat met het bloed daarvan de grond en de banken werden besprenkeld. Vervolgens zag hij, hoe een helder vuur werd ontstoken en dat het eigenlijke brandoffer werd gebracht. En opnieuw vernam hij de stem van den heraut, die de Goden plechtig aanriep. Hij zag, hoe uit het midden der Prytanen er een opstond, hoe de Atheners naar het voorlezen van een geschrift luisterden, dat ongetwijfeld de aan het volk gedane voorstellen van den strateeg Pericles en de toelichtingen van den Raad bevatte, hoe toen wederom de heraut zich verhief, om te vragen, wie over dit voorstel het woord verlangde; hij zag, hoe nu de redenaars het spreekgestoelte beklommen en hoe zij, naar oud gebruik, zich den myrthenkrans op het hoofd zetten, als zij tot het volk spraken; hij zag hoe het volk zijne goed- of afkeuring te kennen gaf, nu eens met ingehouden adem luisterde, dan onrustig werd, eerst zacht, als een korenveld; dat door een lichten wind gebogen wordt, dan weder onstuimig opbruisend, daverend en trillend, als een bergwoud, dat door den storm wordt gezweept, zoodat de heraut op den wenk van den eersten der Prytanen stilte moest gebieden; hij zag hoe soms de strijd der meeningen in de volksmassa tot een handenstrijd dreigde te ontaarden, hoe hier een man uit het volk dreigend de vuist tegen een oligarch balde, daar een vriend der Laconiërs den knoestigen stok onder luide verwenschingen tegen de volksmannen ophief; hij zag nu de groote volksmassa, als een eenig man, jubelend hare goedkeuring betuigen, terwijl de oligarchen morden of verstoord zwegen; dan zag hij weder dezen, door gelaatstrekken, gebaren en uitroepen hunne tevredenheid aan den dag leggen, genen daarentegen in kreten luide hunne afkeuring lucht geven.
Zoo gingen onder eene stormachtige beweging van meeningen en gemoedsstemmingen eenige uren voorbij.
Thans zag de Sicyoniër den strateeg Pericles, die reeds vroeger enkele woorden tot het volk had gesproken, opnieuw het redenaarsgestoelte beklimmen. Wederom heerschte er eene volkomene stilte onder de schare der Atheners.
Rustig en waardig verhief zich de gestalte van den man, dien zij den Olympiër noemden, te midden van het volk. Hij maakte geene levendige gebaren; zijne hand hield hij rustig in zijn opperkleed. Maar zijne stem klonk op doordringenden, overweldigenden toon over de hoofden heen der luisterende schare. ’t Geluid dier stem drong door tot den Sicyoniër, die zonder zelfs de woorden te verstaan, als door eene betoovering bevangen naar de klanken luisterde, die zoet en liefelijk waren als het suizen van den westenwind en toch krachtig, als de rollende donder in de lucht.
Plotseling zag de Sicyoniër Pericles de rechterhand uit zijn oppergewaad te voorschijn halen en ze recht vóór zich uitstrekken, heenwijzende naar de naburige, zich tegenover hem verheffende hoogte van de Acropolis.
Bij deze beweging van Pericles wendden al de duizenden Atheners hunne hoofden en blikken in de richting der uitgestrekte hand van den redenaar, naar de heilige hoogte van de Acropolis, die schitterde in de stralen der zon. De Sicyoniër deed eveneens. Het was alsof die heilige hoogte steeds schitterender straalde, alsof zij door een nieuwen, geheimzinnigen glans was omgeven. De geheimzinnige glans echter, die van de Acropolis afstraalde, scheen zich in de oogen der onafgewend starende Atheners af te spiegelen. Het was als zagen zij daar bij den klank van Pericles’ stem voor de oogen van hun geest iets opstijgen, wat voor hunne zinnelijke oogen nog niet zichtbaar was. Het scheen alsof de berg zich met een tooverkrans sierde, die vele heerscherskronen zou overleven en vele menschengeslachten voorbij zou zien gaan en in heerlijken luister rustig zou blijven schitteren tot aan het einde der dagen.
De luisterende Sicyoniër hoorde de donderende woorden van den Olympiër wegsterven; hij zag hoe de redenaar den krans van het hoofd nam, hoe hij van het spreekgestoelte afsteeg onder de jubelende kreten der Atheners, hoe de voorzittende Prytaan het volk tot stemmen uitnoodigde, hoe dit door het opsteken der handen die uitnoodiging beantwoordde, hoe de uitslag bekend werd gemaakt en hoe ten laatste op een wenk van den Prytaan door den heraut het einde der vergadering werd aangekondigd.
Het volk stroomde terug door de geopende slagboomen. In eene opgewekte stemming daalde het de helling van de Pnyx af. Met belangstelling ijlde de Sicyoniër zijn vriend Halimus te gemoet en riep hem reeds uit de verte toe:
„Hoe is het afgeloopen, kameraad?”
„Wij hebben alles toegestaan!” riep de man uit Halimus met fonkelende oogen.
„Wij hebben eerst de oligarchen en Laconer-vrienden overstemd,” ging hij voort, „en de krijgssoldij, het rechterloon en de tooneelgelden toegestaan. Stel u de blijdschap van het arme volk voor, toen wij, ten spijt der oligarchen, voor ons zelven al deze schoone zaken hebben weten te verkrijgen! En wat het nieuwe, prachtige heiligdom van Pallas op den burg betreft, benevens het achterhuis voor den staatsschat en met het groote beeld van Pallas en de drie dubbele prachtige gaanderijen, door welke de feestelijke optocht der Panathenaeën voortaan de Acropolis zal betreden, waarvan het plan reeds door Phidias ontworpen is, zoo is er niet één Atheensch burger onder allen, die daar thans in de vergadering zijn geweest, die niet de helft zijner bezitting zou willen geven, wanneer nu reeds de prachtige tempel voltooid op de hoogte stond, zooals Pericles dien ons geschilderd en, ik zou haast zeggen, met den vinger getoond heeft. Slechts eenigen van die mannen met lange baarden en dikke Laconische knuppels—gij kent ze wel—maakten zwarigheden: er was al zoo veel gebouwd; met de nieuwe worstelschool en het Odeon [109] was men ook al reeds begonnen; men kon met den grooten marmeren tempel op den burg nog best wat wachten; het bouwen zou ontzettende sommen verslinden. Toen echter trad Pericles op.
„Wanneer gij Atheners,” sprak hij, „dit heerlijk werk naar het plan van Phidias en Ictinus niet volvoeren wilt op staatskosten, dan hebben reeds Hippias en Hipponicus en Dionysodorus en Pyrilampes en vele andere der rijkste mannen uit Athene de gelofte gedaan, den bouw op eigen kosten te volbrengen en dan zullen deze mannen, niet het Atheensche volk, den roem daarvoor inoogsten tot in de verste tijden!” Dit was genoeg. Gij kunt u voorstellen, hoe wij ons haastten onder luide kreten de handen op te steken en toe te staan, wat Pericles en Phidias wilden. En verbeeld u, terwijl wij juist met den grootsten ijver onze bijvalsbetuigingen doen hooren, treedt Phidias op, door Pericles geroepen, om ons de kosten van den bouw en het beeldwerk uiteen te zetten, en zegt: „Uit ivoor en goud zal mijne Pallas Athene zoo en zooveel kosten; uit marmer of brons echter slechts zooveel.”—Toen klonk het van alle kanten; „uit goud en ivoor! Geen karigheid, Phidias; ga dadelijk aan den arbeid!”
Zoo vertelde de Athener uit het volk onder levendige gebaren aan zijn nieuwen vriend uit Sicyon.
Geheel Athene was in eene soort van opgewondenheid, die de van de Pnyx komenden overal verspreidden.