Aspasia

Part 6

Chapter 63,816 wordsPublic domain

Toen de staatsman Pericles en zijn vriend, de wijze Anaxagoras, het huis van Pericles hadden verlaten, daalden zij de straat, die van den grooten schouwburg van Dionysus naar den voet der zuidelijke helling van de Acropolis voerde, af, en toen noordwaarts de straat in, die tusschen de westelijke helling van de Acropolis en den heuvel van den Areopagus [90] tot aan de Agora doorliep.

Nu hadden zij hun doel bereikt. Zij stonden op de Agora. Dit middelpunt van het Atheensche leven en verkeer ligt in den Ceramicus [91]. Het ligt als geborgen onder de hoede der gezamenlijke heuvelen van Athene: naar het zuiden heeft het de steile rots van den Areopagus, aan de westzijde den Nymphen-heuvel, waaraan in zuidelijke richting de beroemde hoogte van de Pnyx zich aansluit, naar het noorden ligt eene middelmatige hoogte, die den tempel van Theseus draagt en in het noordwesten ruischen de boschjes van het doorluchte Coloneüs [92].

Zoo zien al de door sagen beroemde en geheiligde hoogten van Athene op de Agora neder.

Op het midden daarvan verheft zich het altaar der twaalf groote Olympische Goden. Hier prijken voorts de koperen standbeelden der tien door sagen verheerlijkte stamheroën van het Attische volk en land. In de nabijheid van deze standbeelden der stamhelden is aan ieder der negen archonten, de eerwaardigste overheid van Athene, zijne openbare werkzaamheid in de Agora toegedeeld. Hier staat ook het meerendeel der gerechtshoven; hier de raadszaal van den raad der Vijfhonderden: het „bouleuterion” en het ronde, met een koepel bedekte gebouw van den Tholus [93].

Dichter opeen gepakt dan gewoonlijk stormt heden de volkshoop naar deze verzamelplaatsen; men ziet de Prytanen zich met spoed naar den Tholus begeven, die mannen, welke behooren tot de afdeeling van den Raad, welke juist in functie is. Ook vele andere overheidspersonen ziet men over de marktplaats gaan. Men merkt hen nauwelijks op. Nu echter komt Pericles, de strateeg. Op hem zijn aanstonds aller oogen gevestigd. Hij neemt afscheid van zijn geleider Anaxagoras en begeeft zich in den Tholus bij de Prytanen. Hij heeft met deze mannen, die de onderwerpen, welke in de volksvergadering zullen behandeld worden, vooraf bespreken en zelven de leiding hebben, nog iets voor den dag van heden te overleggen.

Ook statige tempels verheffen zich op de schitterende, ruime Agora der Atheners en fraaie zuilengaanderijen door de kunst versierd, strekken zich daar uit.

Verkwikkend voor het oog is, te midden van dezen ruimen kring van tinnen en zuilengaanderijen, die in de stralen der zon schitteren, het groen der platanen, welke, van Cimon afkomstig, steeds in dankbare herinnering zijn, daar zij de zwoele zomerhitte op de Agora temperen en weldadig het druk gewoel beschaduwen.

Onder gevlochten huiven, die tegen regen en zon bedekken, ligt in tallooze winkels de bonte, welriekende en veelvuldige rijkdom der Atheensche markt uitgestald.

Uien en latuwe, komijn en sterkers, thym en honig, rundvleesch en visch, gevogelte en wild—verdienen zij onze vluchtige beschouwing, omdat ze zich op de markt van het oude Athene aan ons oog vertoonen? Waarom niet? Wat onder Attica’s hemel is gerijpt, is edeler dan andere streken voortbrengen, en de Grieksche zon heeft het met fijnere sappen gekruid.

Ook de naburen brengen hun beste producten te Athene ter markt. Deze zachte, sappige groenten heeft Megara [94] gezonden. Deze ganzen, die heerlijke watersnippen en strandloopers komen uit het vette Boeötische land.

Het grootste gewoel heerscht er op de markt, ginds om de schubbige bewoners der zee. Van den goedkoopsten zoutevisch, die er bestaat, die toch met olie besmeerd, in gekruide bladeren gewikkeld en in heete asch gebraden, heerlijk smaakt, tot op de meest geprezen en duurste lekkernijen van deze soort, de Boeötische aal, is hier alles uitgestald, wat er in de honderd golven der diep inspringende Grieksche kusten heerlijks wemelt. Deze sardijnen daar uit de naburige baai van Phaleron zijn zoo malsch, dat ze, om zoo te zeggen, het vuur maar behoeven te zien om gebraden te zijn.

Wie geen lust heeft, de bestanddeelen van zijn maaltijd naar huis te dragen, kan op de plaats zelve zijne begeerte bevredigen. Naar den geur te oordeelen, is zelfs het sappige ezelsgebraad daar niet te versmaden; de verkooper ten minste roemt het lendestuk als eene lekkernij. Zijn buurman wel is waar spreidt niet luid klinkende stem al zijne welsprekendheid ten toon, om te bewijzen dat zijn geitevleesch de voorkeur verdient en dat dit het voedzaamste van alle vleeschsoorten is, een ware „athletenkost.”

Wilt gij u aan de vleesch- en bloedlucht onttrekken—evenwel de Olympiërs zelven hebben een welgevallen daarin en versmaden geenszins de offers—en begeert ge aan fijnere en edeler geuren u te vergasten, begeef u dan ginds naar dien kant, waar de schalksche blikken van een meisje, dat kransen vlecht, of een blonde knaap u wenken. De Athener houdt ongeloofelijk veel van kransen. Zij vergezellen hem van de wieg tot aan het graf. Met kransen tooit zich te Athene niet alleen de roem, de liefde, de dood, de vreugde en iedere soort van feestelijkheid, niet slechts de drinker omwindt zijn voorhoofd, ja zijn geheele lichaam met kransen bij het symposion [95], ook de magistraat zet zich den krans op ’t hoofd, wanneer hij zijne betrekking waarneemt, en eveneens de redenaar, wanneer hij zich gereed maakt, op de Pnyx tot het vergaderde volk te spreken. Uit myrthe vlecht Athene zijne kransen en uit rozen; den klimop en zelfs het loof der zilverpopulieren versmaadt het niet; hyacinthen woelt het gaarne door het groen der myrthen; maar bij voorkeur schijnt het toch het teedere viooltje lief te hebben, want zijne dichters spreken van „het met violen omkranste Athene.” Nu echter bevinden we ons op de pottebakkersmarkt, den trots van den Atheenschen kunstwerker. Naar de potten toch wordt sedert overoude tijden deze geheele stadswijk geheeten en op de koopvaardijschepen gaan van daar de voortbrengselen van de Attische kleiaarde, door de Goden zoo rijk gezegend, naar alle wereldstreken. De Athener vormt deze klei van zijn geboortegrond, evenals zijn Attisch marmer, met den fijnen kunstenaarszin, dien de Goden, naar hun wijs bestek, hem bij zijne voortreffelijke klei en marmer verleende.

Zie toch van de kleine, platte phiale [96] zonder hengsels en voeten, tot aan den reusachtigen pithos [97], die honderd amphoren wijns bevat, en toch slechts pottebakkerswerk is, heeft alles eene zekere netheid en sierlijkheid. Deze amphoren, met wijde buiken, met dubbele hengsels, deze hydriën [98], deze reukfleschjes, met nauwen hals, waaruit de vloeistof slechts droppelsgewijze en met klokkend geluid vloeit, deze ontzaggelijke mengvaten, deze schepvaten, deze bekers, van allerlei vorm, zij zijn alle schoon.

Geen enkel stuk is er onder, dat leelijk is, omdat het alleen voor het gebruik moest dienen, Ook het vaatwerk voor dagelijksch gebruik, ja zelfs het vat, waarin de Griek zijn wijn, zijn honig, zijn olie voor de spijzen, zijn olie, om zich te zalven, bewaart, is schoon. Het mist noch de bevallige evenredigheid en bekoorlijkheid, noch de goedberekende omtrekken.

Wanneer men hier wandelt, gelooft men niet, dat men op eene markt en te midden van waren wandelt; want het schoone behoort niet alleen hem, die het betaalt, het doet ieder, die voorbijgaat, aangenaam aan, en wanneer de omgeving van den mensch den hartverheffenden stempel der schoonheid draagt, daar hebben allen aan alles deel en daar is in den besten zin het ideaal van goederengemeenschap verwezenlijkt.

Wij zouden ook nog de zalfmarkt kunnen doorwandelen, en de kleerenmarkt, waar, met de inheemsche dracht modes van het buitenland, als mantels uit Megara, Thessalische hoeden, schoenen uit Amyclea [99], en Sicyon [100] liefhebbers en koopers vinden. Het liefst wel zouden we de boekenrollen beschouwen, die daar meest in cylindervormige kasten ten toon staan. Gaarne zouden we de breede bladen van beschreven papyros ontvouwen, die, om staven gewikkeld welke aan beide uiteinden met elpenbeenen of metalen knoppen versierd zijn, door ronde of gele perkamentbanden worden samengehouden. Maar het geschreeuw der roepers, het gedruisch van de markt is te groot, dan dat we ons zouden kunnen verdiepen in de boekenwijsheid der Atheners.

Een kolenbrander uit Acharnae [101] en een marskramer uit Halimus prijzen om het hardst al rond loopende hunne waren aan. Bij hen sluit zich een derde aan, die de Atheners opwekt, zijne voortreffelijke lampenkousen te koopen. Weldra echter klinkt het van alle kanten: „koopt olie!” „koopt azijn!” en daartusschen maken stadsomroepers bekend, dat deze en gene waren gelost zijn, of kondigen den prijs aan, die er is uitgeloofd voor de ontdekking van een diefstal of het terugbrengen van een weggeloopen slaaf. Wat men echter in het marktgewoel mist, zijn de vrouwen. Geen Athener zendt zijne vrouw of dochter naar de markt. Hij stuurt zijn slaaf of hij gaat zelf in eigen persoon om inkoopen te doen voor het familiemaal.

Maar woelt daar niet, bij den tempel van Aphrodite Pandemus [102] een tal van eigenaardig opgeschikte vrouwen? Zij behooren niet tot koopsters op de markt, maar tot de verkoopsters. Zij zijn verkoopsters en koopwaren tegelijk. Daaronder zijn fluitspeelsters en danseressen, die zich laten huren voor de symposiën der rijken, om vroolijke gasten te bekooren. Op de Agora staan ook wisseltafels, even goed als in den Piraeus, en de Athener deponeert zijn baar geld bij deze wisselaars en bankiers, om het naar behoefte in kleine sommen weder terug te nemen.

De Athener heeft tallooze redenen om dagelijks minstens eenmaal de Agora te bezoeken, en wanneer hem ook eene oorzaak mocht ontbreken, dan gaat hij er toch heen. Hij is door en door een gezellig wezen. Aanhoudende omgang met zijns gelijken is hem eene behoefte. Overal heerscht deze gezelligheid en spraakzaamheid: in de winkels, in de gaanderijen, in de baden, in de barbierswinkels, zelfs in de werkplaatsen der arbeidslieden, alleen niet in kroegen: deze kent de Athener ternauwernood, of laat ze over aan de heffe des volks.

Wat beteekent die groote, gewapende troep lieden, die daar juist in het midden der bijna onafzienbare Agora zich geposteerd heeft? Dat zijn de duizend Scythische boogschutters, die als huurlingen de markt der Atheners, naar oud gebruik, bewaken, eene soort van stads- en politiewacht, in dienst van den Raad van Vijfhonderd. Deze zonen uit het verre Scythenland vermaken de Atheners door hun barbaarsch koeterwaalsch, zooals ze het Grieksch radbraken en door—den onlesbaren dorst hunner kelen.

Zij hebben stompe neuzen, en gezichten zonder uitdrukking, die ongunstig afsteken bij de prachtig gesneden gezichten en de trekken, vol uitdrukking, der inboorlingen. Die buitenlanders zijn plomp en onbehouwen; deze inboorlingen daarentegen zijn fijn gebouwd en alles is vuur en spier in hen.

De bewegingen van genen schijnen hier traag en lomp, zelfs leelijk, als zij zich haasten; in de bewegingen van dezen is iets bevalligs, iets edels. Zelfs die kolenbrander uit Acharnae houdt zich recht en die marskramer uit Halimus, die zijn armoedig, linnen gewaad met moeite voor de volksvergadering van heden met wat krijt eenigen nieuwen glans heeft gegeven, ziet, terwijl hij zijne waren rondvent, met eene soort van trots om zich heen. Hij slaat, terwijl hij over de markt loopt, zijne armen heen en weer; doch zijn bovenlijf blijft in waardige rust. In de oogen van al deze mannen staat de spreekwoordelijk geworden „Attische blik” te lezen. Wat deze blik beduidt? Het is moeilijk te zeggen. De „Attische blik” is, als het geheele wezen der Atheners, een spiegel van zeer verscheidene, beminnelijke en onbeminnelijke eigenschappen. Ieder oogenblik is deze Attische blik gereed in Attisch gekruid, bijtend, schertsend woord over te gaan. De Athener schijnt ernstig, maar uit zijn ernst springt onverwachts een sarkastisch gezegde, als de vonk uit den vuursteen. Hij heeft een aangeboren geestigheid en weet die te gebruiken.

Midden door de drukte der Agora beweegt zich sedert eenigen tijd een man, wiens gewaad en statig uitzicht zekere welgesteldheid verraden, terwijl hij echter met de oogen van een onbekende rondom zich ziet. Hier en daar heeft hij zich naar een winkel begeven, heeft naar den prijs van deze en gene waren gevraagd, steeds echter scheen hij bezwaren te hebben, zooals dat met een vreemdeling pleegt te gebeuren.

Juist gaat de marskramer van Halimus hem langzaam voorbij.

„Ik kan niet wijs worden,” zegt de vreemdeling tot den bandkramer, misschien aangemoedigd door den blik van nieuwsgierigheid of deelneming, welke deze op hem sloeg, „ik kan niet wijs worden uit de bedoelingen van deze handelaars. Ik geloof dat men mij wil afzetten...”

„Zijt gij dan een vreemdeling?” vroeg de bandkramer.

„Ja zeker,” hernam deze. „Ik ben met mijne familie uit Sicyon gekomen en dat wel vóór pas weinige dagen. Ik denk mij hier te vestigen. Ik wil in ’t vervolg liever een vreemde te Athene zijn, dan burger te Sicyon, waar ik het van mijne vijanden hard te verduren gehad heb.”

Toen de bandkramer van Halimus hoorde, dat deze man geen Atheensch burger, maar een vreemdeling was—hij had hem voor een raadsheer aangezien—hief hij ’t hoofd nog meer op en zeide met eene soort van welwillendheid:

„Vriend, wanneer u de waarde van onze munten en de prijzen onzer waren onbekend zijn, moet ge trachten die te leeren kennen en wel, als ’t mogelijk is, van een eerlijk man.—Zie hier,” ging hij voort, terwijl hij een zeer klein, dun zilverstukje te voorschijn haalde en op de vlakke hand lei, „zie hier, dat is Attisch zilver, zooals wij het daarboven uit Laurion [103] delven. In de geheele wereld vindt ge zulk fijn en zuiver zilver niet als dit. Dit muntstukje evenwel is ons kleinste zilvergeld, een halve obool, daarvoor kunt ge u een gemeene kaas of een leverworstje of een redelijk stuk vleesch koopen, zooals ge slechts met goeden eetlust kunt op-eten. Geeft ge een heelen obool, dan krijgt ge een vleeschmaaltijd, die kostelijk is toebereid. Voor vier obolen kunt ge een lekkeren zeevisch mee naar huis nemen. Hebt ge zes obolen bij elkaar, dat is zooveel als eene drachme, dan kunt ge daarvoor een grooter zilverstuk met het hoofd van Athene op de eene en den lauwrieren omkransten Attischen uil op de andere zijde inwisselen. Voor zoo’n drachme krijgt ge nu een schotel goed toebereide zeeëgels; voor twee zulke drachmen een heel schepel gerstemeel, voor drie een schepel weit of eene Copaïsche aal en voor tien zulke drachmen kunt ge u een chiton koopen, als hij niet van al te fijne stof moet zijn. Hebt ge honderd drachmen bijeen, dan is dat eene mine, en voor anderhalve mine kunt ge u een slaaf koopen; voor drie minen een paard of een zeer klein huisje, wilt ge een grooter en beter hebben, dan moet ge stellig zestig minen besteden en dat maakt een talent uit.—Ziet ge, op deze wijze kunt ge u allerlei lekkernijen en prachtige zaken te Athene voor weinig geld verschaffen. Wanneer u echter ook dit weinige ontbreekt, dan moet ge maar doen, als wij arme lieden: gij moet u eenvoudig voeden met onze inlandsche gerstekoeken en kunt daarbij op het hartige, inlandsche knoflook kauwen.”

Op dit oogenblik werd de spreker gestoord door den toon van eene geweldige stem, die over de markt klonk. Het was de stem van den heraut, die nu mondeling de schriftelijke oproeping aan de Atheners, welke voor het bouleuterion aangeplakt was, herhaalde, om zich op de Pnyx te verzamelen, er bijvoegende dat over een uur de vergadering zou geopend worden.

Tegelijk werd er op de hoogte van de Pnyx eene groote vlag geheschen, welke als teeken der ophanden zijnde volksvergadering boven de stad wapperde, heinde en verre zichtbaar.

Overal drong het volk om den heraut en er ontstond eene soort van gisting onder de menigte.

Reeds van den vroegen morgen af waren de Atheners op de been en overal, waar zich menschen plachten te verzamelen, hoorde men een levendig gesprek, dat niet zelden zeer hoog liep. De stem van den heraut wakkerde het vuur van het politieke gesprek tot een nieuwen en helderder gloed aan.

„Achttienhonderd talenten moet de schat bedragen, die met het staatsschip van Delos is overgebracht!” riep er een uit het midden van eene groep burgers.

„Drieduizend talenten zijn het!” riep een tweede.

„Zesduizend!” viel levendig een derde in. „Zesduizend talenten zeg ik u, zijn van Delos overgekomen—zesduizend talenten, baar geld.”

„Hoezee!” riep een vierde en sprong op van blijdschap. „Waar geld is, zegt het spreekwoord, daar blaast de wind lustig in de zeilen!”

„Wat de nieuwe gebouwen betreft,” sprak een vijfde uit de groep met een bedenkelijk gezicht, „vooral het nieuwe heiligdom van Pallas op den burg, daar heb ik vrede mee; maar wat het rechterloon betreft en vooral de gelden voor den schouwburg—”

„Wat? Gunt gij die dan het volk niet?” klonk eene stem uit de groep der arme burgers den spreker tegen.

„Ja wel!” hernam gene. „Ik denk alleen, dat het voorstel niet door zal gaan. De oligarchen zullen het wel verhinderen. Tooneelgelden voor het volk? Dat zullen de vele Laconer vrienden niet toestaan. Neen stellig niet!”

„Ik geloof integendeel,” meende een ander, „dat de schouwburggelden gemakkelijk zullen doorgedreven worden, want de menigte volks is immers op Pnyx tegenover de oligarchen in de meerderheid. Maar wat betreft de bouwwerken en vooral den nieuwen tempel van Pallas Athene...”

„Hoe?” vielen verscheidenen den spreker in de rede, „wilt ge dat we niet bouwen zullen?”

„Dat niet,” hernam gene. „Ik meen slechts...”

„Kom, wacht toch!” viel hem iemand in de rede, „laten we eerst Pericles hooren!”

„Ja, bravo, laten we eerst Pericles hooren!” klonk het in den kring. Alleen de worsthandelaar Pamphilus trok den neus op en zeide:

„Pericles en eeuwig Pericles! Moeten we dan altijd naar hem hooren?”

„Waarom niet?” gaf men hem ten antwoord, „Pericles is verstandig—Pericles meent het goed met ons—Pericles is de man, aan wien de Atheners het vet op de soep te danken hebben—Pericles is hier de eenige in Athene, van wien zijne medeburgers niets kwaads weten te zeggen.”

„Wat?” riep de dwarsdrijver; „niets kwaads? zeggen dat niet alle ouderen van jaren dat hij in zijne trekken eene zekere gelijkenis heeft met Pisistratus, den tyran?”

„Dat is waar,” hernam Phamphilus. „Ook heeft hij, wat niet allen bekend is, een zoogenaamden uienkop.”

„Wat? Een uienkop?” riepen de toehoorders.

„Wel zeker, een uienkop!” hervatte de ander. „Weet toch,” vervolgde hij geheimzinnig, „dat de schoone, statige Pericles op zijn kruin een knobbeltje heeft, zoodat zijn hoofd eenigermate spits toeloopt, niet ongelijk aan een ui.”

„Malligheid!” riepen de anderen. „Heeft een uwer dezen uienkop van Pericles ooit gezien?”

„Niemand!” vervolgde de andere levendig. „Niemand heeft hem gezien! Dat is zeker. Maar hoe zou men ook den uienkop van Pericles kunnen zien? In het veld draagt Pericles zijn strategenhelm en ook in vredestijd bedekt hij, zooveel mogelijk, het hoofd daarmede. En waar het niet voegt, nu daar behelpt hij zich op eene andere wijze. Op het redenaarsgestoelte b.v. draagt hij den gebruikelijken myrthenkrans om het hoofd; en gewoonlijk heeft hij op straat den breedgeranden Thessalischen hoed op. En zoo is het volkomen waar, dat niemand nauwkeurig het hoofd van Pericles heeft gezien; maar juist omdat niemand het gezien heeft, ligt het vermoeden voor de hand, dat zijn hoofd een uienkop is; want wanneer het niet zoo ware, welke reden zou Pericles dan hebben, het zoo zorgvuldig te verbergen?”—„Ja zeker, natuurlijk,” zeiden vele toehoorders, met goedkeurend gebaar; „het lijdt geen twijfel, dat Pericles’ hoofd een uienkop is.”

„Wanneer dat zoo is,” merkte lachend een van de oligarchische partij op, die zich in de groep bevond, met een spottenden, zijdelingschen blik op eenige armoedig gekleede mannen, die ook naar het gesprek luisterden: „wanneer de volksvriend Pericles een uienkop heeft, dan mag hij dien wel goed bewaren, tegen de liefde van zijne beste vrienden en aanhangers, de uien- en knoflookkauwers.” Sommigen lachten om de geestigheid van den oligarch. Maar onder de mannen, die de spottende, zijdelingsche blik getroffen had, bevond zich ook de marskramer uit Halimus. Het scheen dat er een bliksemstraal uit zijn donker oog schoot, hij balde de vuist en was op het punt den oligarch een scherp woord naar het hoofd te slingeren.

Op dit oogenblik naderde hem een man, die ’t geen hij op de markt gekocht had, in de plooien van zijn gewaad droeg.

„Hei daar, Phidippides!” riep een van hen hem toe, „hebt ge weer een half uur staan pingelen, oude schacheraar?”

„Ja zeker!” hernam Phidippides: „voor deze beide nietige vischjes vroeg het wijf twee obolen!”

„En ge kreegt ze ten laatste—?”

„Voor één,” hernam Phidippides met een grijnslach, doch voegde er aanstonds bij: „ongetwijfeld deugt het goed niet, anders had het wijf het mij niet zoo goedkoop gelaten. Men wordt altijd bedot.”

De toehoorders lachten. „Phidippides,” vervolgde de man van zoo straks, „gij zijt een kerel en weet van huishouden. Wat zegt gij van de verkwisting van Pericles, die nu hebben wil, dat wij den bondsschat, die hierheen gekomen is, voor allerlei loon- en tooneelgelden en voor een groot, prachtig heiligdom van Pallas op de Acropolis zullen besteden? Hebt gij daar niets tegen in te brengen, Phidippides?”

„Pallas Athene beware mij daarvoor!” riep deze uit. „Moge de zegen van alle Goden komen over het hoofd van onzen grooten en wijzen Pericles! Ik heb daar niets, niemendal tegen in te brengen, integendeel, ik zeg: wij moeten bouwen: het prachtige heiligdom van Athene op den burg moeten wij hebben, ook wanneer het al de bondsgelden te zamen zou verslinden.”

„Wat? Gij zijt spaarzaam in uw eigen huis, gij ziet op een kruimel, en met de staatsgelden zijt gij zoo mild?” vroegen eenigen.

„Ja zie,” hernam Phidippides, „in huis, daar loont het de moeite niet vrijgevig te zijn of op een weelderigen voet zich in te richten. Wanneer toch zijn we thuis? Wanneer veroorlooven de bezigheden het den Atheenschen burger thuis te zijn? Nu eens moet hij naar de markt, dan weer naar de volksvergadering, straks naar de vergadering zijner wijk of broederschap, dan weer eens naar het eene of andere gerechtshof of eene club, of naar den Piraeus of naar zijn land om naar de schapen te gaan zien—wanneer dan, vraag ik, is de Atheensche burger thuis? De Atheensche burger behoort aan den staat en de staat behoort aan hem; daarom is het altijd mijne leus: zuinig aan den huiselijken haard, maar royaal en mild voor den staat, voor het algemeen! Wanneer ik mijn eigen huis verfraai, dan heb ik maar een korten tijd er plezier van en misschien brengt mijn zoon en erfgenaam het er weer door. Maar wat ik daarboven op de Acropolis help bouwen, dat blijft en dat laat ik na aan mijne verste nazaten!”

„Phidippides heeft gelijk!” zeiden de mannen, terwijl ze elkander met een goedkeurenden knik aanzagen.

Maar de man van de oligarchische partij, die straks die aardigheid, ten koste van het volk veroorloofd had, verhief nu zijne stem opnieuw.

„Alles met mate,” zeide hij. „Men moet met de hand en niet met den zak zaaien. Als we geen maat houden, dan gaat de staat achteruit en het trotsche gebouw der Atheensche macht en grootheid komt smadelijk ten val!”

„Moge het u op den neus vallen!” riep de nog altijd verstoorde marskramer van Halimus, terwijl hij den oligarch met de vuist dreigde.