Aspasia

Part 59

Chapter 592,735 wordsPublic domain

[321] De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of sesamis.

[322] Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.

[323] Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch cinnabaris of cinnabari geheeten.

[324] Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.

[325] Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig opgevat.

[326] Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus (Moréa) gelegen.

[327] De Peloponnesus.

[328] De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.

[329] De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene rivier in de onderwereld.

[330] Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een scheuren. Hij werd door Theseus gedood.

[331] De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus, Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices wordt als zevende genoemd. Aeschylus heeft die stof dichterlijk behandeld.

[332] Bij Homerus alzoo genoemd.

[333] De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van Mycenae en Menelaüs van Sparta.

[334] In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, omdat hij zijne eigene, Chryseïs, op last van Apollo, bij monde van den priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den strijd.

[335] „Pan”.

[336] Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.

[337] Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.

[338] De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of Pans-fluit.

[339] Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara, dochter van den Thebaanschen koning Creon verwekt, gedood, en moest, op last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.

[340] Atalante was de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan den Argonautentocht en de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders teruggegeven.

[341] Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord daarvoor, gebezigd had.

[342] Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in Thessalië.

[343] Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.

[344] Eene stad in Boeötië in Midden-Griekenland (Hellas), ten westen van het meer Copaïs.

[345] Een plaatsje in Arcadië; in Boeötië lag ook een Orchomenus, N. W. van het meer Copaïs.

[346] Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking: trotsch, pedant zijn.

[347] Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de kamprechters bij de Olympische spelen.

[348] Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus, Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.

[349] Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige Palermo.

[350] Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong (370 v. C.)

[351] Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan den Maeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai (Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.

[352] Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië beschouwd.

[353] Bewoners der steden Demetria, Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de Peloponnesus.

[354] Alle Grieken.

[355] De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.

[356] Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.

[357] Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, de renbaan: zie deel II, noot 1 pag. 8.

[358] Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus als handhaver en beschermer van den eed.

[359] Zie Deel I, noot 1 pag. 204.

[360] Zie Deel I, noot 1 pag. 63.

[361] Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën hadden verworven, heetten epopten, opzieners.

[362] Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.

[363] Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.

[364] Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.

[365] Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”. Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.

[366] Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der Gorgonen; zie de volgende noot.

[367] Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht, naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon gedood.

[368] Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks onderlijf uit bassende honden bestond.

[369] De affodil of slaaplelie werd door de Ouden asphodelus, soms asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is bitter en scherp; de wortel saprijk.

[370] Stinkende, verpestende.

[371] De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was voortgebracht door Typhon en Echidna.

[372] Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades (Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.

[373] De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.

[374] Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, brandende vuurstroom.

[375] Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen, die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig ronddraaiend rad werd gebonden.

[376] Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen, waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.

[377] Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde straf in de onderwereld veroordeeld.

[378] De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.

[379] Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.

[380] De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche velden.

[381] Zie Deel I noot 2 pag. 259.

[382] Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op Cyprus, bijzonder werd vereerd.

[383] Demeter en hare dochter Persephone. Zie noot 1 pag. 171.

[384] Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden, volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:

„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouwe Grieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen. Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”

[385] In het Grieksch: Simaitha.

[386] Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens Pericles geheeten, geschonken.

[387] Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is bovengenoemd adjectief gevormd.

[388] Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd veranderd. (Fzons Acilius).

De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: Galateia.

[389] Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel nagebootst werd.

[390] Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.

[391] Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.

[392] De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.

[393] Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.

[394] Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.

[395] Alleenheerschappij.

[396] Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs bevolkt; thans Korfu geheeten.

[397] Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij, zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij zich zelven doodde. Op die plaats ontsproot de Narcissus, de doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den Ondergoden gewijd.

[398] Iliad. Boek X. vs. 470–515.

[399] De dronkenschap, roes.

[400] Zie Deel I noot 1 pag. 182.

[401] De verleiding, begoocheling.

[402] De overmoed, uitgelatenheid.

[403] Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.

[404] Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt is deze, dat Theseus na de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door Bacchanten en rijdende op een panther.

[405] Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.

[406] Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te zijner eer (ook wel van andere Goden).

[407] De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.

[408] Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden gevonden.

[409] Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.

[410] Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk huis naar den bruidegom voert.

[411] De volksregeering.

[412] Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid” drukt het nog niet voldoende uit.

[413] De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.

[414] Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de oevers van den Acheron verwijlen.

[415] Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.

[416] Het raadhuis (bouleuterion).

[417] Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel van het hier vermelde ontleend is.

[418] Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en de noot.

[419] Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.