Aspasia

Part 58

Chapter 583,696 wordsPublic domain

[213] Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van Philoctetes werd Ilium genomen.

Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn „Philoctetes.”

[214] Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt degene, die in de derde rol optreedt.

[215] Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een treurspel van Sophocles geheeten is.

[216] Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra” geheeten.

[217] Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.

[218] Soph. Aiax vs. 794 en v.v.

[219] De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en v.v.

[220] Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.

[221] Dionysus (Bacchus).

[222] Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.

Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het tooneelstuk.

[223] Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende zitplaatsen.

[224] Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.

[225] Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter en rechter daarvan.

[226] Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.

[227] Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.

[228] Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden- of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking, die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”

Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.

[229] Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was. Protagoras, van atheïsme (asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de mensch is de maat van alles.

Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.

[230] Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden, onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377 te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend wiskundige.

[231] Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners. Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat „Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen uitdrukkende.

[232] Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.

[233] Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog gewaardeerd.

[234] Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).

[235] Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk te verstaan.

[236] Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het algemeen: een zegezang, een loflied.

[237] Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer president van de tafel; we meenden dat woord het best door ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.

[238] Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de prytanen (zie noot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”

[239] Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn vaderland genoemd.

[240] De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen, dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.

[241] Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.

[242] Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen, om tooverij en dergelijke zaken af te weren.

[243] Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop reukoffers gebrand werden.

[244] De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot half November.

[245] Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het schimmenrijk”.

[246] Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig zilveren drachmen, ongeveer f9,—.

[247] Skoliën (eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.

[248] Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in 888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne wetten in de „Rhetra” vervat.

[249] Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.

[250] Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.

[251] Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.

[252] Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is; dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen slechts voor de gedachte aanwezig zijn.

[253] Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche Mars.

[254] Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten bestaat hij uit drie voeten.

Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat „trimeters” hier gelijk met „verzen”.

[255] Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides, wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes, die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.

[256] Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.

[257] Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.

[258] Slagorde.

[259] Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in horizontale, de laatste in boogvormige richting.

[260] Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk schip geslingerd werd.

[261] Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt overeen met ons „enterhaken”.

[262] Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.

[263] De Godin der gezondheid (Hygieia).

[264] Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.

[265] De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.

[266] De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als vereerende titel voor den dappere en onversaagde.

[267] Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar is, of iets dergelijks.

[268] Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijk noot 1 pag. 145.

[269] Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de verwijfde Aziaten gedragen werd.

[270] Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging is.

[271] Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in Beneden Italië.

[272] Vergelijk noot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos, Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.

[273] Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op den Olympus.

[274] Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar lieveling de jongeling Attis.

[275] De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.

[276] Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij blaast.

[277] Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.

[278] Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)

[279] De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, geheeten.

[280] Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters, zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden. Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.

[281] Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.

[282] Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan, beteekenende: kalme, diepe rust.

[283] Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.

[284] Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het door haar gestichte Cartago.

[285] Zie noot 2 pag. 259.

[286] Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.

[287] Metalen bekkens.

[288] Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van Cybele in gebruik.

[289] Antaeüs was een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den grond te houden en zoo dood te drukken.

[290] De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij waren vijftig in getal.

[291] Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de God der genees- en heelkunde vereerd.

[292] In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).

[293] Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de „Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte (zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens Aristophanes leefde.

[294] „De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.

[295] Goddelijke, onsterfelijke.

[296] Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.

[297] Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, de Bacchanten.

[298] Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en historie voorgesteld.

[299] Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia, vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon” behandeld.

[300] Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van Heracles, had het bloed van den veerman Nessus opgevangen, toen deze terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij onder de onsterfelijke Goden opgenomen.

[301] Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).

[302] Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.

[303] Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.

[304] De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus komen zij voor als zonen van Gaea (de Aarde) en Ouranos (den hemel.)

[305] Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in het veld moest brengen.

[306] De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.

[307] Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen waren wederom in demen, districten, gesplitst.

[308] De Godin der overwinning.

[309] Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken dan ook Iris noemden.

[310] Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.

[311] Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus vervaardigde schild van Zeus.

[312] De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon. Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.

[313] Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend; doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.

[314] Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming betreft.

[315] Aeschylus, zie Deel I noot 1 pag. 111 en noot 2 pag. 94.

[316] Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.

[317] De maan.

[318] Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel Cronion geheeten. Zie Deel I, noot 1 pag. 63.

[319] Bedoeld worden hier de Lydische koning Candaulus, de zoon van Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde. Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten, òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote van Candaulus en de heerschappij.

[320] De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.