Aspasia

Part 57

Chapter 573,764 wordsPublic domain

[119] Rhythmus is eigenlijk iedere beweging, afgeleid van een werkwoord, dat „stroomen”, „in beweging zijn” beteekent; v.d. de maat, versmaat. Men herinnert zich dat de verzen der Ouden zich niet door het rijm, maar door de maat van het proza onderscheiden.

[120] Dit zijn de woorden, welke Diomedes tot zijn wagenmenner Sthenelus spreekt, toen deze hem aanried te vluchten voor Aeneas en Pandarus. Iliad. Boek V, vs. 256.

[121] Anacreon was een der grootste en tevens liefelijkste lyrische dichters van Griekenland. Al wat zacht en welluidend was vond in hem zijn tolk. De liefde en den wijn bezong hij bij voorkeur. Van de 68 gedichten, die op zijn naam overgeleverd zijn, erkent de critiek er zeer weinige voor echt. Hij was te Teos in Ionië geboren, werd te Abdera opgevoed, circa 530 v. C. Polycrates, tyran van Samos, noodigde hem aan zijn hof. In 521, na den dood van zijn beschermheer, keerde hij terug naar Athene, waar hij door Hipparchus met ingenomenheid werd ontvangen. Na den val van dezen begaf hij zich weder naar Teos. Tijdens den opstand van Ionië tegen Darius vluchtte hij naar Abdera, waar hij op 85-jarigen ouderdom stierf. Simonides maakte op hem een grafschrift. Naar de sage luidt, is hij aan het doorslikken van een druivepit gestorven.

[122] Sappho, dochter van Scamandronymus en Cleïs, geboren te Eresus op Lesbos in 612 v. C. was de beroemdste dichteres der Oudheid. Te Mitylene verzamelde zij eene schare jongeren om zich heen. Voor een dezer, den schoonen Phaon zou zij eene zoo hevige liefde hebben opgevat, dat ze zich van de Leucadische rotsen in zee stortte, omdat die liefde onbeantwoord werd. Men wil, dat ze een dochter Cleïs naliet. Zij koesterde groote vriendschap voor den dichter Alcaeus. De grondtoon harer poëzie is hartstocht en liefde. Naar haar is de Sapphische strophe genoemd.

[123] Eros, de God der liefde, de Romeinsche Cupido.

[124] Hier wordt Aegeus bedoeld; vergelijk noot 2 pag. 60.

[125] De Minotaurus was, naar de sage, half stier half mensch, welken Minos in het labyrinth te Creta met knapen en meisjes voedde, die Athene als cijns moest opbrengen. Theseus doodde hem met behulp van Ariadne.

[126] Aegina, een eiland ongeveer anderhalve vierk. mijl groot, met gelijknamige hoofdstad, ligt in den Saronischen zeeboezem (golf van Aegina). Beroemd is de Aeginetische kunst en gymnastische geoefendheid.

[127] Panhellenisch beteekent alle Grieken omvattend.

[128] Troje, op de kust van Klein-Azië gelegen.

[129] Acrocorinthus is de acropolis van Corinthe, de hoogste top en sterke vesting.

[130] Corinthe was de aanzienlijkste handelplaats van Griekenland, op den Isthmus (zeeëngte) gelegen met voortreffelijke havens. Cicero noemt het, in zijne redevoering de imperio Cn. Pompeii c. V: „totius Graeciae lumen”, het licht van geheel Griekenland.

[131] Men bemerkt hieruit dat de spreker Sophocles is, de groote Atheensche treurspeldichter.

Sophocles, de zoon van Sophillus, een wapensmid, is geboren in 495 v. C. te Colonos in Attica. In 480 zong hij in het koor ter eere van de overwinning bij Salamis. Lampros was zijn leermeester in de muziek. Achttien malen behaalde hij de zege in een tragischen wedstrijd, waarin hij dikwijls zelfs Aeschylus overtrof. Na de opvoering zijner Antigone werd hij tot strateeg gekozen (441). Tegelijk met Pericles voerde hij het bevel in den eersten oorlog tegen Samos. Vier jaar later zou hij Hellanotamias geweest zijn, waardoor hij het bestuur verkreeg over de bondskas. Bij de hetaere Theoris zou hij een zoon Aristo verwekt hebben, die weder een zoon, Sophocles geheeten, naliet, die eveneens drama’s schreef. Uit een wettigen echt had Sophocles een zoon Iophen, die weinig talent en een slecht karakter bezat, zoodat hij zelfs zijn hoogbejaarden vader van krankzinnigheid aanklaagde, om het beheer over diens goederen te verkrijgen. Men wil dat de grijze dichter zijn schoone zang uit den Oedipus Coloneüs ter eere van Colonos zou hebben voorgedragen, teneinde zijne onverzwakte geestkracht te bewijzen. Hij werd daarop onmiddellijk vrijgesproken; Sophocles stierf in 406, bijna 90 jaar oud. Men wil dat hij aan het doorslikken van eene druivepit zou gestorven zijn. Hij was van een beminnelijk en vroolijk karakter. Den blijspeldichters strekte hij dikwijls tot mikpunt hunner spotternijen.

Van zijne talrijke treurspelen, door de Alexandrijnen op 130 begroot, hebben we er zeven over. Voorts schreef hij vele lierzangen, elegieën en andere stukken. Bij Sophocles komt het liefelijke en zachte meer op den voorgrond dan bij Aeschylus die geweldiger en gespierder is.

De zeven treurspelen, ons bewaard, zijn: „de Antigone”, een der schoonste stukken van den dichter, ten onzent o.a. door A. J. ten Brink en Opzoomer vertaald. De „Oedipus koning”, door Vondel en Bilderdijk vertolkt. De „Oedipus te Colonos (Coloneüs)”, door Bilderdijk overgezet, „de Electra”, in 1638 door Vondel vertaald, „de Ajax” en de „Trachiniae”, welk laatste door Vondel is overgezet. Overigens bestaan van al deze tragedies vertalingen in het Duitsch, Fransch en Engelsch. Sophocles wordt door bevoegde kunstrechters voor den grootsten der oudere en nieuwere treurspeldichters gehouden.

[132] Dit Grieksche woord beteekent: waarzegging uit de handen.

[133] „Aeschylus”; zie noot 1 pag. 111.

[134] Pan is de God der herders en kudden uit Arcadië afkomstig, bevriend met de nymfen, met wie hij reidansen uitvoert. Hij wordt afgebeeld met bokspooten, baard en horens op het hoofd (Panische schrik). Dikwijls komt hij voor in verbinding met Dionysus (Bacchus).

[135] Dit feit greep plaats vóór den slag bij Marathon. De Spartanen echter mochten om godsdienstige bezwaren niet vóór de volle maan strijden. De Atheners vochten toen bijna alleen. Zie noot 1 pag. 24. De Spartanen kwamen later op het slagveld en prezen den moed der Atheners. Het feit waarvan boven melding gemaakt wordt, wordt uitvoerig verhaald door Herodotus, Boek VI. § 105.

[136] Beide landstreken in de Peloponnesus.

[137] Triptolemus wordt voor den zoon gehouden van koning Celeüs van Eleusis en Metanira of van Oceanus en Gaea. Door Demeter werd hem een met draken bespannen wagen geschonken, waarmede hij de aarde zou rondrijden om de graankorrels uit te strooien. Later werd hij koning van Eleusis en voerde daar den eeredienst der Godin in. De kunst stelt hem voor als een krachtig man, op een met draken bespannen wagen en korenaren en scepter in de hand.

[138] Daduchus, een Grieksch woord (daidouchos), beteekent: die de fakkel vasthoudt en voordraagt, v.d. de priesters in de Eleusinische spelen.

[139] Waarom Hamerling hierin eene bijzonderheid ziet, is mij niet duidelijk, daar doorgaans bij de Grieken een zoon naar zijn grootvader genoemd werd. Zie b.v. noot 1 pag. 125.

[140] Solon, de groote Atheensche wetgever, een zoon van Execestides uit het oude geslacht der Crodiden, werd ongev. 639 v. C. geboren. In 594 werd hij eerste Archont en gaf zijne beroemde wetgeving. Daarbij verdeelde hij de burgers in klassen naar hun vermogen. Daarna werden ook de politieke rechten en plichten geregeld. Solon stierf hoog bejaard in 559. We bezitten eene levensbeschrijving van hem door Plutarchus.

[141] Eretria, de hoofdstad van het eiland Euboea waarschijnlijk eene kolonie der Atheners, bloeide eertijds door handel en nijverheid. Om den afval van de Perzen werd het door Datis en Artaphernes verwoest en de bewoners als slaven naar Susa gevoerd. Later werd de stad herbouwd, die in 198 v. C. weder door de Romeinen is vernietigd. Eretria heet thans Palaeo-Castro. Vgl. noot 2 pag. 60.

[142] Hecatombe beteekent eigenlijk een offer van honderd (hekaton) runderen. Dikwijls wordt het alleen voor een zeer groot offer gebezigd.

[143] Melitaeïsch beteekent van Melite, een eilandje in de Middellandsche zee bij Dalmatië; niet te verwarren met Melite wat ook de Grieksche benaming is van Malta, door de Ouden Ogygia genoemd. Doch het Latijnsche adjectivum van dit Melite luidt: Melitensis of Melitesius, dus: Melitensisch of Melitesisch.

[144] Epirus, een bergachtig landschap van Noord-Griekenland bestond vooral uit drie stammen; de Chaoniërs, die in het Noord-oostelijk deel woonden; de Thesprotriërs in het zuiden en de Molossiërs in het Noord-oosten.

[145] Samos, een eiland nabij de Westkust van Klein-Azië, niet ver van het voorgebergte Mycale, thans Samo, door de Turken echter Susam Adassi geheeten. Op Samos bevond zich een tempel van Hera (Heraion).

[146] Hera is vereenzelvigd met de Romeinsche Juno, de echtgenoote van Zeus (Jupiter). Vergelijk over het boven medegedeelde de bekende fabel van Phaedrus, getiteld: Juno en de pauw (Boek III, 18). Hera was ook de Godin van den echt.

[147] Het Grieksche woord Ktesios beteekent: tot het bezit behoorende; Zeus Ktesios is dus Zeus, die het eigendom beschermt.

[148] Eigenlijk dienaressen van Bacchus, die zijne nachtelijke feesten vieren. Van daar elke opgewonden, slechte vrouw.

[149] Buitengewoon groote feesten, waar het lustig toeging.

[150] Thyestes, de zoon van Pelops en Hippodamia, doodde met zijn broeder Atreus hun stiefbroeder Chrysippus en beide vluchtten naar Eurystheus. Thyestes verwekte hier bij de echtgenoote van zijn broeder, Aerope, twee zonen, waarom hij door Atreus werd verdreven. Uit wraak ontvoerde hem Thyestes een zijner zonen, voedde dien op en kweekte in hem een onverzoenlijken haat tegen zijn vader. Later zond hij den zoon van Atreus om dezen te vermoorden. De aanslag mislukte en Atreus liet zijn eigen zoon ter dood brengen. Later vernam hij de toedracht der zaak en ontstak in groote woede. In schijn richtte hij voor zijn broeder een verzoeningsmaaltijd aan. Daar zette hij Thyestes diens eigen zonen voor en toonde hem later hunne hoofden. Thyestes ontvlood die rampzalige plaats; later verwekte hij bij Pelopia Aegistheus, die Atreus doodde en zijn vader op den troon van Mycenae plaatste.

Een Thyestes-maal beteekent dus: een allernoodlottigs en afschuwelijk maal.

[151] De Discus is eene steenen of metalen (later ook houten) ronde schijf, van het midden, waaraan gewoonlijk een leeren handvatsel bevestigd is, dunner afloopend, dien de Grieken en later de Romeinen bij hunne gymnastieke oefeningen gebruikten. De wedstrijd in het loopen, springen, worstelen, het vuistgevecht en het werpen met den discus en speer vormde het zoogenaamde „Pentathlon” (d.i. vijfderlei wedstrijd).

[152] De Romeinsche Diana, dochter van Zeus en Leto (Latona), zuster van Apollo, de Godin der jacht.

[153] De God des huwelijks.

[154] De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder Academie de school van Plato verstaat.

[155] Eene bronnimf.

[156] Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.

[157] Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking in haar geheel kan lezen.

[158] De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis” die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de noodzakelijkheid om te sterven.

[159] Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen bekoorde en verleidde.

[160] Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen veranderde.

[161] De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der aarde.

[162] Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den pauwenstaart.

[163] Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.

[164] Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.

[165] Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.

[166] Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.

[167] Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook de onderwereld zelve.

[168] Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d. distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee korte.

[169] Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding. De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo (herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten (Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zie noot 1 pag. 30. Wat Themis aangaat, vergelijk noot 1 pag. 46.

[170] Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien stijl of melodie zweemt.

[171] Landvoogd.

[172] Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes. Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.

[173] Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.

[174] Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte vertaald.

[175] De avondster.

[176] Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van de Aegaeïsche zee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.

[177] Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.

[178] Lyceüm (Lukeion) is oorspronkelijk eene plaats nabij Athene aan Apollo, Lykeios d.i. den wolvendooder gewijd. Later werd het gymnasium aldaar beroemd, doordat Aristoteles en na hem de Peripatetische wijsgeeren er hunne lessen gaven. Vandaar dat in nieuweren tijd gymnasiën en hoogere scholen dikwijls Lyceën worden genoemd.

[179] Palaestra beteekent: worstelschool, oefenperk.

[180] Ephebos wordt hij genoemd, die den leeftijd van achttien jaren heeft bereikt: ephebentijd is dus de tijd, wanneer men nog een jong en krachtig man is.

[181] Magiërs heetten bij de Meden en Perzen de leden eener priesterkaste, veel overeenkomende met de Leviten in Israël. Zij bezaten kennis der godzaken, naar men meende; vandaar dat het woord wel eens synoniem gebruikt wordt met toovenaar, zooals te dezer plaatse.

[182] Alle drie landschappen in de Peloponnesus.

[183] Pisates is eene landstreek ten zuiden van Elis, en daarvan onafhankelijk, met de stad Pisa aan de rivier de Alpheus.

[184] Het Grieksche woord „nous” beteekent: verstand, overleg, geest; bij Anaxagoras voor: de wereldgeest, die de stof ordent. Wat de uitspraak van „nous” betreft, herinnere zich de lezer, dat het Grieksche „ou”, evenals in het Fransch wordt uitgesproken.

[185] Het Grieksche „chaos” beteekent vooreerst de ledige, onmetelijke ruimte; voorts bij de wijsgeeren de verwarde massa, waaruit het heelal geschapen is „de bajert”.

[186] Duisternis.

[187] Zinspeling op Iliad. I. vs. 528 v.v., waar gezegd wordt, dat bij het fronsen der wenkbrauwen van Zeus de Olympus daverde in zijne gevesten.

[188] Aulis is eene kleine stad in Boeötië, tegenover het eiland Euboea gelegen, waar de Grieksche vloot bijeen kwam, om het leger naar Troje te voeren.

[189] Silenus, nu eens de zoon van Hermes, dan weder van Pan genaamd, is een der satyrs, volgelingen van Dionysus; hij wordt als een afschuwelijk leelijk wezen voorgesteld, met een stompen neus, geitenooren, een dikken buik en kaal hoofd. Vandaar zegt men wel eene Silenus-gestalte van een leelijk mensch.

[190] De chlamys was een wijde, ruime mantel, die de Epheben droegen. Zij werd over den linker schouder geworpen, terwijl men de einden met een gesp bevestigde. Gewichten trokken het gewaad naar beneden. Zij was de eigenlijke reis- en krijgsmantel, vooral die der ruiters.

[191] Onderwijzers der knapen in het worstelen.

[192] Mauritanië was een landschap in het noorden van Afrika gelegen, ongeveer waar thans Marocco ligt; ’t was verdeeld in Tingitana en Caesariensis.

[193] Het Grieksche woord „aleiptes” beteekent „zalver”, vandaar de slaaf die den badende met olie insmeert, ook de onderwijzer in het worstelen, de leeraar, benevens hij, die de knapen voor den worstelkamp met olie zalft, om de ledematen lenig te maken.

[194] De opzichter over de gymnastische oefeningen en het worstelperk.

[195] Achilles, de zoon van Peleus en de zeegodin Thetis, is de beroemde held, die in de Ilias eene hoofdrol speelt. Een kort maar roemrijk leven had hij zich gekozen. Na tal van roemrijke wapenfeiten, o.a. het verslaan van den Trojaanschen held Hector, wordt hij door Apollo, in de gestalte van Paris, door eene pijl in de hiel getroffen, zijn eenige kwetsbare plaats. Benevens Phoenix had Achilles tot leermeester in den wapenhandel en artsenijkunde den Centaur Chiron. Op dezen laatsten wordt hier door den schrijver gezinspeeld.

[196] Hyacinthus, zoon van den Spartaanschen koning Amyclas en Diomede was een buitengemeen schoon jongeling en werd door Apollo en Zephyrus bemind. Zephyrus, om zich op zijn mededinger te wreken, deed den discus, terwijl Apollo Hyacinthus in het werpen daarmede onderwees, het hoofd van Hyacinthus doodelijk treffen. Uit het bloed van den jongeling deed Apollo de hyacinth, d.i. misschien de zwaardlelie (althans niet onze hyacinth) ontspruiten. Door den Romeinschen dichter Ovidius is deze legende dichterlijk behandeld (Metamorph. X, 155 v.v.).

[197] Acrisius, koning van Argos, verwekte bij Eurydice eene dochter Danaë, die, volgens het orakel, een zoon zou baren; welke zijn grootvader zou dooden. Niettegenstaande alle voorzorgen van Acrisius bracht Zeus bij Danaë, Perseus voort. Bij de lijkspelen ter eere van den koning van Larissa in Thessalië, die Acrisius mede vierde, werd deze door Perseus onwillens, door een discus getroffen en gedood.

[198] Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.

[199] Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.

[200] De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”; Aphrodite, Hera en Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van koning Menelaüs.

[201] De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit, die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus) verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle mogelijke zegeningen en goede gaven.

Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener geit Zeus voedde.

[202] Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan eene rots in den Caucasus nagelen, waar een arend telkens zijne lever, die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden. V.d. beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.

[203] Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door prachtige reizangen.

[204] Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.

[205] Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in hunne stad.

[206] Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid en sarcasme.

[207] Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.

[208] Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.

[209] De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.

[210] Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in Ionië.

[211] De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.

[212] In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de vrouwenhater.”