Part 56
[5] Een zeeboezem, vroeger als haven gebruikt.
[6] Athene stond onder de bijzondere bescherming van de Godin Pallas Athene, dochter van Zeus, v.d. ook Athene Polias (beschermster der stad) geheeten.
[7] Pericles behoorde van vaders kant tot het geslacht der Buzygen, van de zijde zijner moeder (Argariste) totdat der Alcmaeöniden.
[8] De burg van Athenen.
[9] Een hoed met breeden rand, vooral een reishoed, zooals doorgaans de jonge mannen (Epheben), droegen.
[10] De Godin der jacht, dochter van Zeus en Leto (Latona), overeenkomende met de Romeinsche Diana.
[11] Eig. eene zuil, voor de zuilengaanderij te Athene, gebruikt tot opteekening en bekendmaking van wetten; beroemd is de poikile (de bonte) met muurschilderijen van Polygnotus.
[12] Eig. een proefstuk, ook in de havens te Athene en Rhodus de plaats, waar de kooplieden hunne waar ten toon stelden.
[13] Pontus (Euxinus) is de Zwarte zee.
[14] Namen van slaven in de Grieksche comedies veel voorkomende. Phormio komt voor als de naam van een berucht tafelschuimer.
[15] Hiermede wordt doorgaans het Attische talent bedoeld, dat 60 minen bevatte, plus minus ƒ 2640, later (in de 4e en 3e eeuw) slechts ƒ 2497. Het Euboeiscbe talent was ongeveer ƒ 3675, het Aeginetische en Babylonische ƒ 4400, later slechts ƒ 3937.
[16] Een licht, snelvarend oorlogsschip, met drie rijen roeibanken boven elkander.
[17] De plaats, waar de volksvergaderingen te Athene gehouden werden, bij den heuvel Lycabettus, tegenover de Acropolis en de Areopagus.
[18] Bevelhebber over eene triëre of galei; ook degeen te Athene, die alleen of met andere burgers eene triëre voor den staatsdienst moest uitrusten, over welke hij òf in persoon òf door een plaatsbekleeder het bevel had.
[19] Griekenland. Eigenlijk heette Hellas alleen Midden-Griekenland, doch dikwijls wordt dezen naam aan het geheel gegeven. Men vergelijke ons Holland; naam der provincie en tevens vaak als die van ons geheele land gebezigd.
[20] Promachos beteekent in de voorste rijen strijdend, ook als subst. Kampvechtster.
[21] De drie dochters van den zeegod Phorcys en de slang Echidna werden Gorgonen genoemd, vooral Medusa, die, met slangen omgord en met adders gelokt, allen die haar aanzagen in steen veranderde. Zij werd door Perseus overweldigd.
[22] Zie noot 2 op pag. 19.
[23] De Panathenaeën waren, zooals de naam aanduidt, een algemeen volksfeest, verdeeld in de groote en kleine Panathenaeën; de groote werden om de vier jaren, in het derde jaar van iedere Olympiade, de kleine jaarlijks gevierd.
[24] De beroemde slag van Marathon, een vlek in Attica, werd door 9000 Atheners en 1000 Plataeërs, onder aanvoering van Miltiades tegen eene tienmaal sterkere macht der Perzen onder Datis en Artaphernes in 490 v. C. glorierijk gestreden.
[25] Aphrodite (Venus) was, naar de mythe, nabij het eiland Cyprus uit de zee opgestegen; haar naam wordt dan ook verklaard door „de uit het schuim der zee opgestegene.” Vandaar haar bijnaam Cypris en Cypria. Op Cyprus werd zij hoog vereerd; een prachtige tempel, haar gewijd, bevond zich daar.
[26] Een belangrijk eiland in de Aegaeïsche zee, behoorende tot de groep der Cycladen, bekend om zijn schitterend wit marmer. Tot de Cycladen behoort ook Delos, beroemd als geboorteplaats van Apollo en Artemis, kinderen van Zeus en Leto.
[27] Ictinus, Callicrates en Mnesicles waren de beroemdste bouwmeesters dier dagen. De beide eersten wijdden hunne krachten vooral aan het Pharthenon, aan Athene gewijd, de laatste aan de Propylaeën, het voorhof van den burg te Athene.
[28] De Godinnen, die aan het leven liefelijkheid en bevalligheid bijzetten: Aglaia, Euphrosyne en Thalia. De Romeinen noemden ze Gratiae, Gratiën (eig. bevalligheden, wat ook het Grieksche woord uitdrukt).
[29] Een beroemd gebergte op de kust van Azië in Phrygië, Mysië en Troas ten zuiden van den Hellespont (tegenw. zee der Dardanellen) gelegen. Aan den voet daarvan lag het beroemde Ilium (Troje). Een gebergte van dienzelfden naam bevond zich op Creta.
[30] Pygmalion, een „koning” van Cyprus, vatte voor het ivoren beeld van een jonkvrouw, ’t welk hij zelf vervaardigd had, zulk eene hartstocht op, dat hij Aphrodite smeekte, het te bezielen. Toen dit geschied was, nam hij haar tot echtgenoot, bij wie hij Paphos verwekte. Vgl. het drama van Rousseau, aan deze mythe ontleend en Brockhaus, Conversationslexicon, in voce.
[31] Peristylium of Peristylum is eene met zuilen omgeven plaats, evenwel geene zuilengaanderij om een tempel; dit heet in de antieke bouwkunst: Pteroma.
[32] De God der liefde, overeenkomende met de Romeinsche Cupido.
[33] De Muzen waren de godinnen van het gezang, de dichtkunst en de muziek. Vroeger was haar aantal slechts drie: Mneme, Aoide en Melete dochters van Zeus en Mnemosyme. Later worden er negen vermeld, te weten: Calliope, Clio, Euterpe, Thalia, Melpomene, Terpsichore, Erato, Polyhymnia en Urania, welke ieder eene bijzondere kunst beoefenden en elk hare attributen had. De Grieksche namen zelven verklaren, welke kunst aan iedere Muze was toegewezen. Haar dienst kwam uit het Thracisch landschap Piërië naar Griekenland over. V.d. de Piëriden = de Muzen. Vgl. verder Brockhaus, in voce.
[34] Hesiodus was een Grieksch ditactisch dichter in Ascra in Boeötië geboren in de 9e eeuw v. C. Behalve eenige gedichten als „Werken en Dagen” schreef hij ook eene Theogenie, behelzende de mythen en sagen omtrent de Goden. Homerus werd beschouwd als de beroemdste dichter van Griekenland, de schepper van de Ilias en Odyssee, doch tegenwoordig meent men dat hij werkelijk niet heeft bestaan en zijne gedichten eene samenvoeging zijn der werken van tal van dichters.
[35] Pindarus was de beroemdste der Grieksche lyrische dichters, ongeveer in 521 te Cynocephalae geboren, gestorven circa 433 v. C. Hij schreef hymnen van allerlei soort, zegeliederen, e. a., vooral ter eere der overwinnaars in de groote nationale spelen. Door kunstkenners als Horatius wordt zijne poëzie hoog gewaardeerd.
[36] Anaxagoras was een der beroemdste Ionische wijsgeeren, omstreeks 500 v. C. te Clazomenae geboren. Hij had grondige studie van de natuurwetenschappen gemaakt. Tot zijn beroemdste leerlingen behooren Pericles, de geschiedschrijver Thucydidus, de natuurkundige Archelaüs en de treurspeldichter Euripides. Anaxagoras was van oordeel, dat de stof zelve onbewegelijk was, maar door een eeuwig verstandig wezen, in beweging gebracht en dat door scheiding van het ongelijke en vereeniging van het gelijke de wereld ontstaan was. Hij werd van ketterij beschuldigd, verliet Athene en stierf te Lampsacus in 428 v. C.
[37] Onder byssus verstaat men eene soort boomwol, die in de vroegste tijden uit Aegypte en later uit Indië werd aangevoerd. Daaruit vervaardigde kleederen noemt men sindones; andere namen voor byssus zijn gossypium en chylon.
[38] De chiton is eigenlijk een wollen onderkleed, door mannen en vrouwen gedragen, waarover men een wijden mantel, chlaena of pharos genaamd, wierp, overeenkomende met de Romeinsche tunica. Verder duidt het algemeen een kleed, of gewaad aan. Zie Guhl und Koner, Das Leben der Griechen und Römer S. 179.
[39] Alle niet-Grieken werden door hen barbaren geheeten; zóó deden later ook de Romeinen wat hen zelven betrof.
[40] Onder Olympiërs verstaat men de Goden, die, naar de mythe, hun zetel hadden opgeslagen op de toppen van den Olympus, een berg in Thessalië.
[41] Pisistratus maakte zich met geweld van den heerschappij over Athene meester in 560 v. C. Hij stierf in 527 v. C. Zijne zonen Hippias, Hipparchus en Thessalus, gemeenlijk de Pisistratiden geheeten, werden van de tyrannie (alleenheerschappij) beroofd en verdreven. (510 v. C.) Hipparchus werd door Harmodius en Aristogiton vermoord.
[42] Men wachte zich het woord tyran in onze beteekenis op te vatten. Het wordt hier gebezigd in den Griekschen zin en geeft enkel een alleenheerscher, die zich in een vrijen staat gewelddadig van de heerschappij heeft meester gemaakt, te kennen.
[43] Erechtheüs (ook Erichthonius) was een Attische heros, wiens mythe nauw in verband staat met den oorsprong van Athene en de beschaving van Attica. Ook komt hij in onmiddellijke betrekking voor met den eeredienst. Van hem of Theseus leidt men het ontstaan der Panathenaeën af.
[44] Een Grieksch woord, beteekenende: (de stad beschermende). Dat schild heette Palladium. In een latere noot wordt dit nader toegelicht.
[45] Nemesis is de Godin van het zedelijk rechtsgevoel, ook van de wraak. Zij heet ook wel Adrastea en Rhamnusia, welken laatsten naam zij ontleent aan het vlek Rhamnus in Attica, waar zij een tempel en een standbeeld had, ’t welk men beweert dat Agoracritus uit het op de Perzen veroverd marmer gebeiteld had.
[46] Socrates, een der beroemdste Grieksche wijsgeeren, was te Athene ongeveer 470 v. C. geboren. Zijn moeder heette Phaenarete. Zijn hoogste streven was zelfkennis. Bekend is zijne methode, om de menschen te ondervragen. Van ketterij beschuldigd, moest hij den giftbeker drinken, ongeveer 400 v. C.
[47] Vergelijk noot 2 pag. 33.
[48] Zie noot 1 pag. 16.
[49] Eigenlijk beteekent strateeg veldheer; te Athene waren zij aanvoerders van het voetvolk en vormden tevens een rechterlijk college.
[50] Een obool is eene munt, het zesde deel van eene drachme bedragende, ongev. ƒ 0.075. De obool had weder 6 chalkoi; 100 drachmen maken eene minae uit, 10 zilveren minae een gouden, 60 minae een talent. Eene minae is dus ongev. ƒ 44. Vergelijk noot 2 pag. 14.
[51] Het Grieksche „daemon” beteekent in de eerste plaats: eene Godheid, ook eene wrekende; vervolgens een wezen tusschen Goden en menschen in. In het Nieuwe Testament ook de duivel, de booze geest. Vergelijk daemonisch, eig. door een daemon of Godheid bezeten, en enthousiast of door eene Godheid bezield (Theos, God).
[52] Zie noot 1 pag. 29.
[53] De Grieken kenden den Goden vele hoedanigheden toe; de een beschermde dit, de andere dat. Zeus was de beschermer der smeekelingen, die bij den haard, bij het altaar zittende, niet gekrenkt mochten worden. Als beschermer van den huiselijken haard noemen zij hem Zeus Ephestios.
[54] Dionysus was de God van de vruchtbaarheid, inzonderheid van die des wijnstoks, ter wiens eere de landelijke Dionysiën in Attica werden gevierd. Hij stemt grootendeels overeen met den Romeinschen Bacchus, ook Iacchus en Liber geheeten.
[55] De kunst van het voorspellen; het Grieksche woord wijst op eene geestvervoering.
[56] De laurier was aan Phoebus Apollo gewijd. De Grieken schreven aan zekere planten een reinigende kracht toe, als aan den myrth, den rozemarijn, maar vooral aan den Apollonischen lauriertak. Vgl. Guhl und Koner, p. 381, in het reeds aangehaalde werk.
[57] Xantippes had de Perzen in 479 v. C. bij Mycale eene geweldige nederlaag toegebracht. Mycale is een gebergte in Ionië (waar ook eene stad van dien naam lag;) tegenover Samos, zich uitstrekkende van den Maeander bij Magnesia tot aan de kust.
[58] Onder Palladium verstaat men het door Pallas (Athene = Minerva) van den hemel naar Troje geworpen schild van welks behoud Troje’s lot afhing. Later beweerden verscheidene steden, als Athene, Argos, en Rome het te bezitten. Te Rome meende men dat het in den tempel van Vesta heilig werd bewaard, zoodat zelfs de opperpriester (Pontifex Maximus) het niet mocht zien. Er waren ook nog andere houten Palladia.
[59] Een landschap tusschen Macedonië, den Donau, den Bosporus (straat van Constantinopel), de Propontis, den Hellespont en de Aegaeïsche zee gelegen.
[60] Een landschap van Midden-Griekenland (Hellas).
[61] Cimon, een der beroemdste Grieksche veldheeren, was de zoon van Miltiades en Hegesipyle. Zijn vader, Paros niet kunnende vermeesteren, werd tot eene zware geldboete veroordeeld, die hij niet kon betalen. Die schuld ging op Cimon over, die tevens met „atimie”, d.i. verlies aller burgerrechten gestraft werd. Callias, een rijk Athener, huwde echter Elpinice, de halfzuster van Cimon, met wie deze, volgens de zeden dier dagen, reeds getrouwd was, en betaalde de boete. Vervolgens nam hij een roemrijk aandeel in de Perzische oorlogen, veroverde verscheidene eilanden, als Scyros en Thasos (463 v. C.), voerde oorlogen tegen Sparta, doch werd eindelijk door het Ostracisme of schervengerecht verbannen. Na eene vijfjarige ballingschap werd hij door Pericles in 451 teruggeroepen, sloot met de Spartanen een vijfjarigen wapenstilstand, voerde een Atheensche vloot tegen de Perzen naar Cyprus, doch vond bij de belegering der stad Citium den dood. Plutarchus, een Grieksch geschiedschrijver, en de Romein Cornelius Nepos hebben zijn leven beschreven.
[62] Thasos, een aanzienlijk eiland in het Noorden van de Aegaeïsche zee, tegenwoordig Tháschos, aan Turkije behoorende, met ongeveer 10,000 bewoners.
[63] Theseus, de zoon van Aegeus, was een beroemde, nationale Atheensche held, die tal van monsters en schelmen doodde, als den Minotaurus op Creta, Sciron, Procrustes e. a. Aegeus meenende dat zijn zoon op Creta omgekomen was, stortte zich in de zee, naar hem de Aegaeïsche zee genaamd. Hij aanvaardde de heerschappij over Attica en verrichtte tal van beroemde feiten. Hij nam deel aan den Argonautentocht e. a. Bij zijne vrouw, de Amazone Antiope, verwekte hij Hyppolytus, die later door zijne stiefmoeder Phaedra den dood vond. Dit gaf Racine stof tot zijn meesterstuk „Phédre”.—Theseus vond bij Scyros door koning Lycomedes den dood. Te Athene werd hij als held (heros) vereerd en verkreeg door Cimon een tempel (Theseion). Op dezen tempel, door Polygnotus versierd, doelt Hamerling ongetwijfeld.
[64] Deze galerij heet in ’t Grieksch de „poikile”.
[65] De belegering en val van Troje behoort tot het mythologisch tijdvak; men stelt de verovering dier stad, waarvan Priamus koning was, ongev. 1184 v. C.
[66] Cassandra, ook Alexandrea genaamd, was de dochter van Priamus en Hecuba, en had van Apollo de gave der profetie ontvangen; evenwel met den vloek, dat niemand haar zou gelooven. Zoo voorspelde zij te vergeefs den ondergang van hare vaderstad Troje. Toen nu na den val van Troje zij en andere jonge maagden naar den tempel van Athene vluchtten sleurde Aiax, de Locriër, Cassandra van het altaar weg en onteerde haar, terwijl zij later Agamemnon ten deel viel, die haar naar Mycene voerde. Agamemnon zou zij de tweelingen Teledamus en Pelops gebaard hebben.
[67] Cronion beteekent Cronos’ zoon, d.i. Zeus (Jupiter). Cronos is geïdentificeerd met den Romeinschen Saturnus, zoon van Uranus en Gaea, die volgens de mythe, zijne eigene kinderen verslond, omdat hem voorspeld was, dat zij hem van den troon zouden stooten. Alleen Zeus ontkwam dit lot en stortte zijn vader in den Tartarus (de onderwereld).
[68] Aan Clio, de „verkondigende”, de Muze der geschiedenis, werden schrijftafeltje en stift, als attributen toegekend. Zie voorts noot 1 pag. 30.
[69] Sparta werd ook „Lacedaemon” geheeten; „Lacedaemonius” beteekent dus de „Lacedaemoniër” of de „Spartaan”.
[70] Een kleed, vooral een mantel, die omgeslagen werd en in vele plooien neerviel. Men wikkelde zich er echter geheel in. Het himation werd door mannen en vrouwen beide gedragen.
[71] Vergelijk ons woord „zak”. Eig. eene grove stof van gevlochten haar, ook een mantel.
[72] Eigenlijk eene bekransing, krans; vandaar ook een hoofdsieraad der vrouwen.
[73] De hond stond bij de Grieken weinig in eere; hij was het toonbeeld van onbeschaamdheid. Het woord kuoon, dat hond beteekent, wordt ook gebezigd voor den ongelukkigsten worp in het dobbelspel.
[74] Artemis (Diana) was de Godin der jacht.
[75] De Brilessus of Brilettus was een bergketen ten N. O. van Athene, ongev. 1110 meter hoog, beroemd om zijn marmergroeven. Meer bekend is het onder den naam (Pentelicon), thans Menteli.
[76] Beroemde stad in Phocis, (een landschap van Midden-Griekenland), beroemd door den Apollo-tempel, het orakel en de bekende Pythische spelen.
[77] De Godinnen van het geweten, de wroeging, die den misdadiger vervolgen. Zij worden ook Erinyen genaamd.
[78] Eene stad in Boeötië (Midden Griekenland), eene der tien steden van het Boeötisch verbond.
[79] De zoogenaamde Pythia, die te Delphi orakels gaf.
[80] Dit woord wordt in tweeërlei zin gebruikt. In den kwaden zin beteekent het iemand, die de verderfelijkste leer verkondigt, zooals Hippias. In den goeden zin van het woord waren het zedepredikers, die slechts het geluk van hun volk bedoelden, zooals Protagoras, Gorgias en Socrates.
[81] Na den dood van Koning Codrus (1068 v. C.) werden er Argonten (bestuurders) te Athene gekozen, eerst levenslang, daarna voor 10 jaren. Later waren er drie; de eerste heette Archon (ook Eponymus geheeten, omdat men naar hem het jaar noemde), de tweede Archon Basileus (koning) voor godsdienstige zaken, de derde Archon Polemarchus, wien de leiding in krijgszaken was opgedragen.
[82] Alcibiades, later beroemd staatsman en veldheer, verloor zijn vader in den slag bij Coronea (477 v. C.) Zijne moeder heette Dinomache. Hij was in 451 v. C. te Athene geboren. Hij huwde met Hipparete, de dochter van Hipponicus. Na vele lotgevallen en beroemde daden viel hij in een ongenade en werd in 404 v. C. door Pharnabazus vermoord. Hij was een der talentvolste Atheners, een leerling van Socrates.
[83] Opvoeder; de opvoeding was doorgaans aan de slaven toevertrouwd.
[84] Een vrouwelijke geest of spook, om de kinderen schrik aan te jagen.
[85] Het Grieksche woord beteekent spook.
[86] Eigenlijk de naam van eene ijdele vrouw, voor synoniem met „mormo” een spook.
[87] Te Olympia in Elis werden de zeer beroemde Olympische spelen om de vier jaren gevierd. Zelfs werd daarnaar eene tijdrekening ingesteld. Een tijdvak van vier jaren noemde men eene Olympiade.
[88] De sandaal (sandalon) was vooral een vrouwenschoeisel. Zij bestond uit eene houten of rundleeren zool, die door riemen aan den voet bevestigd werd. Men vertaalt het wel, hoewel niet geheel juist, door pantoffel.
[89] In Griekenland zijn twee dichters van dien naam. De oudste is Simonides van Amorgos of Samos, naar anderen willen, p. m. 600 v. C. Hij schreef Iambische gedichten. De tweede, Simonides van Ceos, is beroemder. Hij werd ongev. 557 v. C. geboren. Hij was een dichter van elegieën. Zijne epigrammen zijn zeer bekend, b.v. op de overwinnaars bij Marathon en op de bij de Thermopylae gevallen Spartanen. Simonides stond in hoog aanzien te Sparta en Athene. Op uitnoodiging van Hiëro begaf hij zich in 447 naar Syracuse, waar hij in 466 stierf. Toen bevonden zich daar ook Pindarus en Bacchylides.
[90] Eig. de „Aresheuvel” de plaats, waar het hoogste gerechtshof van Athene zitting had.
[91] Een kwartier van Athene, ook de straat, die naar de Acropolis voerde. „Kerameikos”, zooals het Grieksch luidt, beteekent eigenlijk pottebakkersmarkt.
[92] Een vlek in Attica, beroemd door de prachtige tragedie van Sophocles: Oedipus Coloneüs.
[93] Tholus beteekent een rond gebouw, ook dat gebouw, waarin te Athene de Prytanen (d. z. vijftig raadsleden van den raad der Vijfhonderd, die afwisselend voorzaten) spijzigden.
[94] Megara was de hoofdstad van het landschap Megaris in Midden-Griekenland, eene goed bevolkte, sterke stad, niet verre van de zee, door twee lange muren aan zijne zeehaven Nisaëa verbonden.
[95] Maaltijd, drinkgelag.
[96] Eene schaal, vooral eene drinkschaal.
[97] Een groote kruik of aarden vat, waarin de wijn bewaard werd, wijd van opening, waaruit de wijn geschept werd.
[98] Een wateremmer of kruik.
[99] Eene stad in Laconië (Peloponnesus), aan den oever van den Eurotas, twintig stadiën zuidoostelijk van Sparta gelegen.
[100] Sicyon (ook Secyon geheeten) eene zeer oude stad op de noordkust van de Peloponnesus.
[101] Een wijk, vooral door kolenbranders bewoond. Aristophanes, de bekende Grieksche blijspeldichter, schreef eene comedie tot titel hebbende „de Acharners”.
[102] Men onderscheidt de Aphrodite Pandemus, d.i. de zinnelijke liefde, en de Aphrodite Urania d.i. de hemelsche, de geestelijke liefde.
[103] Laurion, een zuidelijke tak van den Hymettus, Z. O. van Athene, tot het voorgebergte Sunion zich uitstrekkend, was beroemd om zijne zilvermijnen, welker opbrengst onder de burgers placht verdeeld te worden, totdat ze, op voorstel van Themistocles, tot het bouwen van oorlogsschepen werden gebezigd.
[104] Choreuten zijn de koordansers. Choros was een der twee deelen van het oudste theater; het beteekent de dansplaats. ’t Werd ook orchestra geheeten.
[105] Eigenlijk beteekent het „medespijzend”, iemand die met den priester mede eet van het offermeel, v.d. een tafelschuimer.
[106] Eigenlijk hij, die zelfs om het stelen van eene vijg iemand aanklaagt, die het geringste zelf aanbrengt, v.d. een valsche aanklager, eene verachtelijke klasse van menschen, doch in Athene zeer talrijk in den tijd, waarin dit verhaal voorvalt.
[107] Onder Autochthonen verstaat men de oorspronkelijke bewoners van een land die niet van elders overgekomen zijn, de inboorlingen.
[108] Eumeniden beteekent eigenlijk de welwillenden, de genadigden; zij komen overeen met de Erinyen (Furiën), de zusters der Godinnen van het noodlot, de dienaressen van de gerechtigheid en de wreeksters van iedere misdaad.
[109] Odeon (Odeion) is eigenlijk eene plaats om te zingen; te Athene een openbaar gebouw, tot muzikale uitvoeringen bestemd, dat tevens echter voor volksvergaderingen en gerechtshof werd gebezigd.
[110] Metopon beteekent eigenlijk het voorhoofd, v.d. het front.
[111] Poseidon is met den Romeinschen Neptunes geïdentificeerd. Zijn attribuut was de geweldige drietand.
[112] Hermes, overeenkomende met den Romeinschen Mercurius, de zoon van Zeus en Maia, was de beschermgod van den handel, ook van de dieven en reizigers. Ook is hij de bode der Goden.
[113] Daedalus is een der beroemdste kunstenaars der oudheid. Hij maakte o.a. voor zijn zoon Icarus en zich zelven, toen zij te Creta gevangen gehouden werden, vleugels met was bevestigd. Icarus, die de zon te dicht naderde, viel in zee, daar de was smolt. Die zee is naar hem de „Icarussche” genoemd. Daedalus was ook de bouwmeester van het vermaarde Labyrinth op Creta.
[114] Demeter, de Romeinsche Ceres, was o.a. de Godin van het graan.
[115] Eleusis, eene stad in Attica, lag aan de baai van dien naam, tegenover het eiland Salamis.
[116] Priesterheerschappij.
[117] Aeschylus was de eigenlijke stichter van het Grieksche treurspel. Hij werd in 525 (volgens sommigen in 521) geboren, zijn vader heette Euphorion, uit een oud-Attische familie gesproten, behoorende tot de gemeente Eleusis. Op vijfentwintigjarigen leeftijd trad hij als tooneeldichter op. In 484 behaalde hij den eersten prijs. In 490 onderscheidde hij zich dapper in den slag bij Marathon, waar hij talrijke wonden ontving. Voorts nam hij deel aan de roemrijke slagen bij Artemisium, Salamis en Plataea (480 en 479). In 475 werd hij door Hiëro, tyran van Syracuse, aan het hof genoodigd. Na in vele dichterlijke wedstrijden, naar Athene teruggekeerd, te hebben overwonnen, werd hij aangeklaagd; hoewel vrijgesproken verliet hij de stad en begaf zich naar Gela op Sicilië; waar hij op 69-jarigen ouderdom stierf. Een grafteeken en standbeeld werd door de Atheners voor hem opgericht. Van zijne talrijke tragediën op 93 of 70 begroot, hebben we er zeven over. Haar titel luidt: „de geketende Prometheus”, „de zeven tegen Thebe”, „de Perzen”, de „Oresteia”, eene trilogie bestaande uit den „Agamemnon”, de „Choëphorae of offerplengsters”, en „de Eumeniden”, ten laatste de „Hiketiden of smeekelingen”.
[118] Het is hier niet de plaats het nauwkeurig onderscheid uiteen te zetten tusschen den Dorischen, en den Ionischen stijl. Uitvoerig kan de lezer dat vinden in Guhl en Koner, pag. 10, 11 en volgende. In het algemeen slechts merken we op, dat die bouworden op dezelfde wijze verschillen, als de volken, Doriërs en Ioniërs, waaraan ze ontleend zijn. In den Dorischen stijl heeft zich het ernstige karakter van de Doriërs afgespiegeld; lichter en slanker, bevalliger en sierlijker is de Ionische bouworde.