Aspasia

Part 55

Chapter 553,887 wordsPublic domain

Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe besluit des volks bracht.

„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem gelukwenschende.

„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij zelven!—

„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”—

„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles. „Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten bloei ontwikkeld te zien.”

„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!”

Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.—

Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.

Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht, waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische land van de kloven en hoogten van den Pindus. Dof sloegen in den Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde. In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.

In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.

Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde zich daaraan; nu en dan nam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër, die hij uit een door de pest ontvolkt huis weggenomen had, welks voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.

Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen.

En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij eene bron, die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven.

Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk vermengd is met de walmen des doods?”—

Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos zweefde...

Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond. Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles.

Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was!

Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder bewaker.

Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte, die hem omgaf.

Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber flikkerende lichten.

Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts.

Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met groenende klimopranken.

Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos als een steenen beeld.

Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan, zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat.

Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.

Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en met welks verval hij zelf ook het leven verliet.

Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen...

Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?

Aan haar geest ging eene schitterende reeks van schoone, grootsche, heerlijke herinneringen voorbij.

Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de schoonheid hem in banden sloeg.

Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche plannen en verwachtingen.

In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde.

Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den geest en den zin der schoone vrouw, met wie hij het schitterend vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.

Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het bleeke gezicht der vrouw.

In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de lijkbaar van den edelste zijner zonen...

Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens zoo levenslustige Hellas!

Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates wisselden.

Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten lagen.

Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden gewisseld.

Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.—

Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen gemoed.

Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden. Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden slechts enkele verflauwende sterren.

Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen, vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.

Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende Agoracritus.

„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker in Phidias’ werkplaats aan den denker.

„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen, wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en op het ziekbed heeft geworpen.”

Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide zacht:

„Hij is dood.”

Agoracritus zweeg getroffen.

Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.

„Dood?” vroeg toen Agoracritus.

„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon.

Wederom zwegen beiden een tijd lang.

Eindelijk begon Agoracritus:

„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten deel gevallen Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield had.

„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden, voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem wenkte, te vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten adem uit.

„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met onbenevelden geest heenging.

„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker.

„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel, die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en besten heen zijn gegaan!”

Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos peinzend naast elkander. Toen scheidden zij.

Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken zag Socrates ook den dollen Meno liggen.

De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den brandstapel geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep huilend om den brandenden hoop.

Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de hond op den stapel en verbrandde met zijn meester.

Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!” sprak hij.

„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich zelven bij—

Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen der Atheners met de open dreven afwisselden.

Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door de lucht scherende.

Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan.

’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene geboorte, een ontwakend leven...

Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij betrad het huis van den hem bevrienden man.

Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn, hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.

Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om ’t hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt zij weder weg.

Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:

„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!” [419]

Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens ontsluieren.

De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt, zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.

Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen:

Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel, zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten—

En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden; zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van een Galilaeër de wereld veroveren—

Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der zelfkastijding en zelfverloochening—

Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.

Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk naar dit vaartuig.

Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.

Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.

Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos, voor het laatst de stad der Atheners.

Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel, die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde.

Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.

Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde.

Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide Propylaeën op uit de verte.

Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin van den berg.

Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans.

En het scheen te zeggen:

„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde. Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de eeuwige glans der wateren in zijne golven!”

Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.

Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het Schoone.

EINDE.

AANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.

DEEL I, PAGINA 24.

Men spreke uit: Ictinus, zoo ook Hipponicus, Cratinus, daarentegen Prómachos, Pápyrus, Pháleron, Agorácritus.

DEEL I, PAGINA 149.

De klemtoon worde op de volgende namen aldus gelegd: Pasicòmpsus, Execéstides, Astrámpsychus, Mnesárchus, waardoor het eigenaardige van die harde, ruw klinkende woorden, in het oog valt. De lezer bederve dat niet door eene verkeerde uitspraak.

DEEL I, PAGINA 320.

De bijzonderheden van deze schildering aan den zeeslag bij Tragia zijn geheel verdicht, alleen overeenkomstig met de behoefte van den roman, om het karakter van Pericles in zijne kracht en heldenmoed uit te doen komen.

DEEL II, PAGINA 349 EN 350.

Het in het vorige jaar verschenen dichterlijk album „Egeria” (Eger 1875), alsmede de epische dichtbundel „Orient und Occident” van K. B. v. Hansgirg bevatten een gedicht „Phidias” getiteld, waarin, evenals hier, Pallas Athene den stervenden beeldhouwer verschijnt. Hansgirg geeft zelf in het laatste boek, pag. 79, het jaar 1874 op, als het jaar, waarin dit gedicht werd opgesteld. Mijn verhaal daarentegen van Phidias’ dood werd reeds in 1873 geschreven en daar deze geheele roman in de eerste maanden van 1874 in het bureel van de Weener „Neuen freien Presse” aanwezig was, kan ik mij ook nog op het getuigenis van hen, die het werk daar in handen gehad hebben, beroepen, dat, hoeveel ook sedert in het handschrift van „Aspasia” veranderd is geworden, toch juist dit tooneel reeds toen woordelijk zoo geschreven was, als het thans in druk verschijnt, zoodat derhalve aan plagiaat niet kan gedacht worden.

AANTEEKENINGEN

[1] Zie Noot 3 op pag. 24.

[2] Een Grieksch woord, dat eigenlijk verzameling en en verzamelplaats beteekent, van daar de markt.

[3] Faunus eig. een oude mythische koning van Latium, later als landgod geëerd, werd dikwijls met den Griekschen herdersgod Pan verwisseld, evenals zijne kinderen de Fauni met de Satyrs, die tot het gevolg van Pan behooren.

[4] De voornaamste der drie havens van Athene, waartoe Pericles in 482 v. C. reeds de grondslagen gelegd had. De twee oudere havens waren Zen en Munichia.