Part 54
Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden.
Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de genotzucht tot eene ziekelijke hoogte opdreef, gold echter ook hier de algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit. Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden.
Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden, en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen werden.
Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken: ’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep: „De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat de wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den Phrygischen God [415] beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een behoedmiddel tegen de ziekte.
Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!
Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde: vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen, waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere wolken zou ondergaan.
Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude, maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde, bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.
De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad: andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij op de kusten van de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand, Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie uit.
Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen.
Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het gevaar geringer scheen.
Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne voeten in schuim spatten.
Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide. Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken, aan niets zijn hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht over zijn gemoed te verleenen.
Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.
De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd.
Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest, hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten, zonder vrees van de woeste Ithyphallers en het gapende Barathron.
De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten, slaags raakten, terwijl deze zelven echter òf altijd weifelden òf van partij veranderde? Het opperbevel van één enkele was niet meer mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.
Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug. Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.
De Erechtheüs-priester was door de pest aangetast geweest, doch weder genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het doodsgevaar.
’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd.
De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.
Op dit oogenblik kwam de Erechtheüs-priester daarlangs, vergezeld door eene menigte zijner aanhangers en vrienden.
Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan.
Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon toen tot het volk te spreken.
„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd, hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer, konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne asch naar alle windstreken verstrooid!”
Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld. Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en verdediger van Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid te helpen.
„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een plaatsje zijn voor hem!”
Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den ongelukkige voort te sleepen.
Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het buleuterium [416] te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de oorzaak daarvan.
Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen.
Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.
En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een tweegevecht tegenover elkander.
„Terug, Alcmaeönide!” riep de Erechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet, waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot en ijdelen glans heeft gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft naar de woorden der godloochenaars!”
„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon, „waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft afgewend!”
„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen, hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw bloed afgewend te worden!”—
„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!”
Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg.
„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb aangeboden in de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij, Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken, maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!”
Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd ongeduldig.
Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des vijands wilde achterlaten.”
„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering vergrijp ter dood wilden veroordeelen.”
„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle overheden te Athene geen recht kon krijgen.”
„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden.
„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw gedragen!” klonk het [417].
Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig vast.
„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche menigte op:
„Laat Pericles los, Pamphilus!”—
Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken zich niet vergrijpen.
„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel voortwoedt over ons!”—
Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles, Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der vreeselijke ziekte.
Met innig welgevallen wees de Erechtheüs-priester op den thans duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het geslacht der Alcmaeöniden geheel wilden verdelgen.
Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer, en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den man hadden gebracht.
Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.
Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.
In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden, beslissenden slag te slaan, was gekomen.
In eene weinig bezochte volksvergadering werd door lage boosheid voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het voorstel aan.
Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben?
Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles heeft ontwrongen!
Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden, zijne bekwaamheden op te vijzelen.
Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint tot het volk met vuur te spreken.
„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten. In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik, dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij vogelmelk te koop hebben...”
„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!”
„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene. „Ik ben een Atheensch burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de huizen naar de brandstapels sleepen.”
Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem.
De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan volstrekt niet, maar vervolgde:
„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.”
„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk man?”
„Pas op, Pamphilus!” riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!”
„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been oplichtende, om zijn tegenstander een trap in de lendenen te geven.
„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren en uw ingewanden dooreen klutsen!”
Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van pestlijken.
„Terug!” riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling! Ellendigste, allerellendigste der menschen!”—
„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen! Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten, opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die eene knots [418] draagt, is daarom een held.”—
Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden logica.
Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners.
Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden Pericles in al zijne ambten en waardigheden.
Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich.