Aspasia

Part 53

Chapter 533,818 wordsPublic domain

Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was; hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.

En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates dit tooneel niet had bijgewoond.

„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene soort van slaapwandelaar, iemand die door de maanziekte der wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had, „ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te trouwen, Sabazius-dienaars in de straten, maanzieken op de daken, de Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de pest—”

„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in het huis van Hipponicus.”—

„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.

„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd—

„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!”

„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias. „Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en vreugde; niet achteruit, zooals gij meent. En welke donkere, dreigende wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!”

„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken, tegen elkaar.

„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school, die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder, Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus! Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen, waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een poos laten wachten!”

Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met Alcibiades te verzoenen.

Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen, opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid onderga.”

„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades. „Wij willen Simaetha tot koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”—

„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?”

In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde.

Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes omslingerd.

Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar.

„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha, behoort de toekomst!”—

De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de schitterende koningin der vreugde geledigd.

„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”—

„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het Parthenon!”

Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde, vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het gesloten verbond met een kus bezegelen.

Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar gezicht verspreidde.

Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een plotselinge, geweldige hoofdpijn.

Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis te snakken.

Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend ijzer vielen.

Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.

De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te klagen.

Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden.

Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.

Men had Pericles geroepen.

Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.

„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten.

Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.

„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij. „Kent ge haar ziekte, zeg het dan!”

„Verwijdert u!” herhaalde Pericles.

„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades.

„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.

Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in de vergadering.

Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.

De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.

Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in stilte te verwijderen.

Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste van allen.

„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!”

Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers.

Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij, lustige Ithyphallers?”

„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere machten zegevieren”— —

„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende. „Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!”

XXIV.

DE SATYR EN DE BACCHANTE.

In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend, onheilspellend gekras deed hooren.

Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den uil op den gevel van het Parthenon.

Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen der Acropolis af, als eene doodstijding.

En waarlijk zoo was het.

Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte aangetast, eenzaam den laatsten adem uit.

In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de hoogte der Acropolis.

De Erechtheüs-priester ontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor: „Op, uw tijd is gekomen!”

En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op Hellas!”

Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en de Pest.

De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der Bacchanten weergalmende stad der Atheners.

Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke, jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning.

Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van een daemon.

Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te worden.

Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan voor geheel Hellas.

Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie [411], het meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij voegden zich de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.

De Helleensche „kalokagathia” [412] moest verbroken worden—niet meer moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich het Helleensche leven had mogen beroemen.—

Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst, voor verlammende bezorgdheid.

Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen [413].

Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend, een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw, met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier, evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden geesel der volken.

Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood bij holle oogen, spitsen neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten, handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner vrienden herinnerden.

Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben, dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden, zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.

Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.

Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof. Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen, bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver betracht.

In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels.

Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld [414] in den mond gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en bekranst met klimop, op een leger in het peristylium van het huis tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels. Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer, den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept, om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste, vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—

In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten spoedigste van bevrijd te zijn.

Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd werden.

Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen, totdat het vuur door de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de smeulende brandstapels.

Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls met de honden.

De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open, omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal en onbeschaamde plundering.

Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.

De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hare afschuwelijkste vormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef, vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t ware der Koningin Pest een feestdronk wijdden en lachend hare verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden. Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden ontheffen.

Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op, zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.