Aspasia

Part 52

Chapter 523,839 wordsPublic domain

„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem. Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun bestaan verheugen?

„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en gelukkig zijn?”

Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op aarzelenden toon:

„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!”

„Zonderling kind!” riep Pericles.

Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen.

En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele karakters kon wekken.

Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind had.

Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan de machtige hoede der goden.

Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren.

Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterras geëindigd had, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen jongeling.

En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.

„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof dat zij niet minder dan Manes behoefte heeft aan vriendelijke toespraak!”

Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte.

Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende ranken was aangebracht.

Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar het zijne met het Arcadische meisje.

Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:

„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!”

„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?” vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij, ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.”

„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles.

„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.”

„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles.

„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia: „liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin. Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten zijn!”

„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het mij onwederlegbaar voorgekomen. Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te verwinnen?”

„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!”

„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,” vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst verdooft?”

„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.”

„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet huiveren”——

„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker, waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der natuur”—

Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich gereed zich in huis te begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk onderhoud gewikkeld.

Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld.

Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden bemerkt hebben.

Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het gezelschap van den ander gezocht had.

’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een gesprek met elkander.

Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren.

Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig, Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak, volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds noordelijk moet gaan, en dikwijls droom ik ook, dat ik naar het Noorden trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen leven en met hen jagen op de wilde dieren?”

„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan, omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht zelfs een koninkrijk.”—

„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar ’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.”

Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:

„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En ’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”—

Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze begon hij weder:

„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen! Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik overal, waarheen ik u voer, mijn vaderland terugvind, ja zelfs een koninkrijk.”—

Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven. Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de Bacchante!—

„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden willen brengen.”

„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen, hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.”

„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der natuur onderworpen is.”

„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort van smartelijke, hartstochtelijke liefde is voor de menschen even erg, als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde groeven!”

Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis.

Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.

Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei.

Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.

Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam, met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds vergaderde gasten.

Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t huis.

Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen. Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte. Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te vergeefs.

„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de geheele school van Aspasia ziet ernstig en fronst de wenkbrauwen, als de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige, bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!”

„Doe dat gerust!” zei Simaetha.

„Dat zal ik!” riep Alcibiades. „Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen te doen dansen!”

„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias; „hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!”

Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!”

„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk, „al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij geven.”

„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden.

„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij wilt!”

„Top!” riepen Callias en Demus.

Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De weddenschap van duizend drachmen was aangegaan.

„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades, „daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten en besten vriend verloor? Hij heeft zijne trouw jegens mij verbroken en eene vrouw genomen.”

„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen.

„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades.

„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia.

„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!”

„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van gehoord.”

„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend, dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten. Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den nymphagoog [410]. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende; de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.”

„En de bruid?” vroegen velen.

„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk erfdeel bezit. Socrates getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen! En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren, dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk, Aspasia?”

„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het sombere zijn wij bondgenooten.”

Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus.

Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes, de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne stille legerstede opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte den slapende uit zijne rust opgedreven.

Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden, door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den spookachtigen wandelaar.

Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te volgen.

„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld deel doen nemen aan ons feest!”—

Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het dakterras.

Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte.

Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak, langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend in de diepte zou neerstorten.

Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes in slaap wandelde, toegesneld.

Ook Pericles verscheen.

Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!”

Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.

Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat door de loshangende lokken omgolfd, staarde Cora naar den slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak, deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem onder zich voelde.

Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester en bezwijmd zonk zij ineen.

Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de kaken henen vlood.

De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen. Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke, opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium.

Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.

„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen getuige geweest is van dit tooneel!”

„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia.

„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat ware liefde is.”—

Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen zeide zij: „en gij?”

Pericles antwoordde:

„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe plaats aan ons in!”

Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat. Toen sprak zij:

„Gij zijt geen Griek meer!”

Weinig in getal waren de woorden, die hier gewisseld werden, maar zij waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot.

Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.

Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.

Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche, schoone en heerlijke gebouw ineen.—

Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van Pericles afgewend.

Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek, Aspasia terug naar hare gasten.

Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis.