Aspasia

Part 51

Chapter 513,735 wordsPublic domain

„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen? Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het! Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!”

Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden. Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig, trouweloos, misdadig, meedoogenloos.

„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve ouder geworden zijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert. Ook ik moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude, kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?”

Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.

„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!”

Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te zullen voldoen.

„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”—

„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota.

„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der hartstocht gedreven, veel op Io [405] die door eene door Hera gezonden paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!”

Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.

Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’ dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en over alle landen werd voortgedreven.

In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.

Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen, toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.

Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen bedekten zich met een licht schuim.

Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen.

Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus meende zij den honderdoogigen Argus te zien, en plotseling het oog strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht; verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het meisje storten.—

Theodota was krankzinnig geworden.—

Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in onsamenhangende, onzinnige taal.

Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op, waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in haar maalstroom voortsleurde.

Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd, waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht.

Dit geschiedde juist nu weder.

Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk gezicht opleverden.

Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden.

Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen droegen.

Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige, bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die den vroolijken Dithyrambus [406], voorstelde.

Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op het hoofd droegen en op gouden lieren speelden.

Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom versierd met tragische en comische maskers, genen ernstig en waardig, dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende.

Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop of struikwinde [407] bekranst.

Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den wijnstroom in bekers opvingen.

Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld, gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten lachend bij deze fonteinen, duiven omfladderden de grot, vlogen uit en in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich trachten te redden.

Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst van Dionysus gewijd.

Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den feeststoet potsierlijk nabootsten.

Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar der twaalf Olympische Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus, waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar bewoog.

Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de aandacht tot zich trok.

In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele, die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars, apostels van Sabazius [408], een God, oorspronkelijk met Dionysus overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden, alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te verkondigen.

De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld, door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen.

De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig van zulke dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel te schieten.

Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige Hellas over te planten, dan Aspasia, en met alle middelen, die haar ten dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades, wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was, stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en kwakzalvers ter zijde.

Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de zoogenaamde Sicinnis [409]. Daarbij geeselden en verwondden zij zich tot bloedens toe.

Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de zelfverminking.

Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken.

„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der Bacchische feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!”

Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige jongelingen viel op den Metragyrt aan, sleurde hem voort en, gedachtig aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem in den naburigen afgrond, het Barathron.—

Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de leerlingen van Aspasia.

Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen?

Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede voortgetrokken door de onbeteugelde reien.

De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.

Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot vermetelheid.

Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.

Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.

Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het meisje aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende schemering met geweld weg te voeren.

Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers verdwenen.

Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het huis van Aspasia bereikt had.

Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen.

Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten bestormd werd, niet beantwoorden.

„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen; mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af! Wie weet welk een grijnzenden kop wij dan zullen zien!”

Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne krachtige armen baande hij zich een weg door het gewoel en ijlde naar huis terug.

Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich neder en verzonk in diepe gepeinzen.

Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen indruk, zich van zijne ziel meester maakte.

Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich. Eensklaps stond Aspasia voor hem.

Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem aldus minzaam aan:

„Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te genieten?”

Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.

„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia. „Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere menschen willen leven? Zijt gij misschien heimelijk op Pericles verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?”

Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een dergelijke veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.

Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te onderzoeken.

Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.

De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs over zich.

Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde.

Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden! Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en waren deze pogingen niet altijd mislukt?—

Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed lachen.—

Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden aangegrepen.

Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken.

Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar neergezet, haar Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis teruggekeerd, het peristylium doorging.

Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.

Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie zij was uitgegaan.

Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de afgeplukte bladeren der bloemen.

Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het bijna den lachlust opwekte.

Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:

„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.”

Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende, scheen te liggen.

„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind, en ik zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora? Spreek!”

Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.

„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.

„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij.

Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.