Part 50
„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein nachtelijk avontuur te bestaan. Ons speelde het Homerisch gezang [398] van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates juist weder te vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of, wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen. Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.
„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten; bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend zijn, als eene wereld zonder liefde.
„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met mijn vriend Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.
„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het zonder Alcibiades maakt.”—
Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger, gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.
Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen. Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard. Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen, zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en hare onmiddellijke omgeving te bewaken.
Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht en overwogen. De Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over den Isthmus.
Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden.
Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken. Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige afrekening met de gehate stad.
Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom hooggewenscht.
De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun sluimer en sloegen de vleugels uit.
Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten uitvoer te brengen.
Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het verduisteren van het goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft, ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij, had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te eigenen.
Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed voorbereiden akker.
De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen.
De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide, het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet.
Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte, waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed onder het volk uit te breiden.
Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren. Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders stroomden het drukst naar de volksvergadering; want daar kregen zij immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.
Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur te kunnen heerschen.
Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.
Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!” riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en nog heden zal hij in Athene zijn!”
Pamphilus werd bleek van gramschap.
„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!”
Ook op de overige samenzweerders maakte het bericht een zeer ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest uitstellen.
Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard! Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen! Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!”
„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”—
Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen van Pamphilus en ijlde weg.
„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil water over hunne hoofden uitgestort!”
Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner verbittering.
Hij klaagde hem zijn nood.
„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!”
XXIII.
HET DIONYSUS-FEEST.
Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van den Hymettus, den Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente. Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen getooid.
De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los, richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen en hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.
Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.
Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste, verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en uitgelatenste feest der Atheners.
He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke, dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende, overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende aapjes.
Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den Ilissus.
Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche fluitspelers, die anders blazend de landelijke streken plegen te doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken, waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt.
Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen, die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de maat geslagen wordt bij het gezang.
Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen: hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus, ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten, Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe [399] bedwelmt, Pitho [400] vleit, Apate [401] lokt, Hybris [402] is dolzinnig en zelfs schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.
Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.
Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als een plicht jegens den God in deze dagen en nachten beschouwd.
En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den „Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd. Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten, dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde doodskop verborgen is.
De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt.
Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig rumoer.
Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het Lenaeüm [403] naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God, dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude, houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude, eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den Dionysus-schouwburg. Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.
Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers te plengen of offerdieren te slachten.
De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de straten.
De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd van zijn gezelschap.
„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook reeds razen en tieren, op het Dionysus-feest verplicht zijn, dubbel te razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien van de stad der Atheners!”
Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen.
Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.
Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en dwingt haar zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne Ariadne [404] en zich zelven haar Dionysus.
Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.
Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in overdreven taal begon te roemen.
Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten. Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië naar Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische, hoofdige kind afstand doen.
Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig voorkomen.