Aspasia

Part 5

Chapter 53,891 wordsPublic domain

Ja, Elpinice was oud geworden, en wel zonder het te weten. Slechts een korten tijd van haar leven en tegen haar zin gehuwd, had zij haar geheele verdere leven aan de onvruchtbare dweeperij van eene zusterlijke liefde gewijd; zij had, hoewel weduwe, toch in haar geheele wezen dat zonderlinge gekregen, ’t welk ongehuwde oude dames kenmerkt. Aan oude vrijsters nu is dit eigen, dat haar de opgroeiende spruiten, als mijlpalen van den voortsnellenden tijd, en als aanwijzers van den weg, dien zij reeds afgelegd hebben, ontbreken, zoodat de ouderdom haar onverwachts nadert. Zij gevoelen zich inwendig nog eeuwig jong. Deze vereeniging van inwendige jeugd en uitwendigen ouderdom drukt haar voor de wereld eerst zacht, allengs echter steeds sterker den stempel van het belachelijke op het wezen.

Zoo was ook Elpinice oud en belachelijk geworden, zonder het zelve te bemerken. De hooge prijs, waarmede Callias hare hand betaalde, de hulde, welke de schilder haar bracht, en al het andere van dezen aard had haar ijdel gemaakt op hare schoonheid. Zij bleef nog ijdel, toen datgene, waarop zij ijdel was, reeds lang verdwenen was. Zij waande, dat zij nog altijd was, zooals Polygnotus haar geschilderd had, als de schoonste van Priamus’ dochteren. Want zij was ongehuwd; zij had geen echtgenoot, die haar zeide; „gij zijt oud!”—De zachte, rustige, eerwaardige Polygnotus wilde en kon haar dit ook niet zeggen. Hij was een oude vrijer gebleven en bracht de ietwat stijve, doch welgemeende hulde van een oud jonggezel aan de eenige uitverkorene van zijn nog onveranderd hart.

Haar broeder Cimon was eenigen tijd vóór zijn dood door de Atheners verbannen geworden. Zijne aanhangers deden hun best verlof tot zijn terugkeer bij het volk te bewerken. Zij vreesden echter den invloed van Pericles, wiens ster aan het opgaan was en voor wien de verwijdering van zijn ouden tegenstander stellig slechts voordeelig kon zijn.

Toen kwam in Elpinice’s overspannen en avontuurlijken geest, die steeds stoute plannen had gekoesterd, het voornemen op, om ook ditmaal beslissend voor het heil van haar broeder op te treden. Zij blankette zich en zalfde zich met kostelijken balsem, doste zich in prachtgewaad en ging naar Pericles. Zij wist, dat de groote staatsman niet ongevoelig was voor vrouwelijke bekoorlijkheid. Zij wilde zich aan hem vertoonen in eene door kunst verhoogde betooverende gestalte, die Callias eens had ontvlamd, Polygnotus had verrukt. Zij ging naar Pericles, om hem te overreden, dat hij den Olympischen donder zijner welsprekendheid in de volksvergadering niet zou doen weerklinken, wanneer het voorstel om Cimon terug te roepen gedaan werd.

Toen Pericles de zonderlinge, grillig opgesmukte, naar balsem riekende vrouw vóór zich zag staan, met eene zegevierende uitdrukking op het gelaat, bemerkte hij, dat het ditmaal op de gevoeligheid van zijn hart gemunt was. Hij wist dat hij den naam had voor zulk een indruk vatbaar te zijn en hij ergerde zich er over. Het griefde hem, dat zulk een naam bleef, niettegenstaande zijn ernstig, waardig leven. En nu kwam daar die verouderde Elpinice en waagde het hem met de koude overblijfselen hare schoonheid in hare netten te willen verstrikken!

Pericles was zachtzinnig van nature. Maar dat eene grillig opgedirkte vrouw met een knevel op de lip, het voor eene zoo gemakkelijke zaak rekende, hem, den vriend van het schoone te betooveren, dat maakte, naar Cronion’s [67] raadsbesluit, dezen zachten man voor een oogenblik tot een wreedaard.

Hij zag de smeekelinge een tijd lang zwijgend aan, sloeg haren dos nauwlettend gade, vervolgens haar gelaat en zeide eindelijk zeer kalm tot haar:

„Elpinice, gij zijt oud geworden!”

Hij sprak deze woorden op den zachtsten toon. En toch waren zij boosaardig. Zij zijn de eenige boosheid, die de overlevering ons van Pericles, den Olympiër, meldt.

Eene onmerkbare huivering doorliep hem zelven, toen hij dat noodlottige woord had gesproken. Hij had een voorgevoel, dat het een van die woorden was, wier gevolgen Clio’s [68] stift moest opteekenen. Het woord: „Elpinice, gij zijt oud geworden!” kon het begin zijn van eene lotwisseling voor Pericles, voor Athene, ja voor geheel Griekenland... burgeroorlog, een inval der Perzen, bloed, jammer, tranen, onheil van elken aard; de ondergang van het Helleensche volk kon uit dit woord voortspruiten. Want, wat vermag niet eene vrouw, tot wie men gezegd heeft: gij zijt oud?

En de goedaardigste aller Grieken had dit bitterste aller woorden gesproken!

Elpinice kromp ineen, wierp een gramstorigen blik op Pericles en ging weg.

Maar wat baatte het den goeden naam van Pericles, dat hij de kokette Elpinice zoo onhoffelijk behandeld had? Werd niet alles bedorven door zijne eigene ontsteltenis over het vinnige woord, dat hem ontvallen was, doch waarover hij berouw gevoelde en dat hij op de Pnyx zocht goed te maken? Want toen het volk verzameld was en het voorstel tot terugroeping van Cimon aan de orde kwam, en iedereen naar Pericles zag, verwachtende, dat hij er zich heftig tegen zou verzetten, zag hij integendeel verstrooid rond en zweeg, alsof hem de zaak niet ter harte ging, zoodat Cimon’s aanhangers gewonnen spel hadden. Wèl lachten de Atheners en fluisterde de een den ander in het oor, sluw met het oog knippende: „Zie toch eens die oude Elpinice! Met opgestreken zeil is zij naar Pericles gegaan, en de vrouwengek heeft goed toegehapt—toegehapt in den rotten appel!”

„Arme Pericles!”

Na den dood van Cimon vertoornde zij zich op de wereld, omdat deze ook zonder Cimon haren gewonen gang ging. Nu haatte zij Pericles en den nieuwen tijd nog meer.

Haar taal was steeds gekruid met uitdrukkingen als: „mijn broeder Cimon placht te zeggen” of „mijn broeder Cimon placht dit of dat te doen,” of „mijn broeder Cimon zou in dit geval zus en zoo gehandeld hebben.”

Was reeds Cimon een vriend der Laconiërs geweest, een man, die zijne sympathieën voor Sparta zoo weinig verborg, dat hij een zijner zonen den naam „Lacedaemonius” [69] gaf, en die in zijn geheele wezen meer van een Spartaanschen houwdegen, dan van een beschaafd opgevoed en levendig Athener in zich had, zoo kon het niemand verwonderen, dat zijne onvrouwelijke zuster de liefde voor de Laconiërs tot in het belachelijke overdreef. Zij was de partij toegedaan, die van elke vrije en opgeruimde levensopvatting der Atheners afkeerig was, en bevorderde die door den ijver, waarmede zij het huiselijke leven van hare tegenstanders bespiedde. Zij was juist het vertrouwelijkst met die vrouwen, wier mannen zij haatte; vandaar hare vriendschap voor Telesippe, Pericles’ gade.

Maar toch was dit wandelend gedenkteeken van den goeden ouden tijd, deze oude vrijster en vriendin van den mokkenden Polygnotus, niet in alle opzichten onaangenaam en terugstootend. Zij was te gelijk boosaardig en goedig, grillig en eerlijk, deftig en kluchtig, belachelijk en eerwaardig.

Dit nu was het karakter der vrouw, voor wie Pericles en zijn vriend, den wijsgeer Anaxagoras, zoo haastig op de vlucht waren gegaan, toen zij hare vriendin Telesippe een bezoek kwam brengen.

Telesippe hielp de magere vrouw zich ontdoen van het himation [70] waarmede Elpinice, als eene kuische Atheensche jonkvrouw, wanneer zij over straat ging, niet slechts het bovenlijf, maar ook haar hoofd, tot op mond en oogen, placht te bedekken. Vervolgens plaatste Telesippe eene stoel voor haar en verzocht haar te gaan zitten. Elpinice was zeer netjes en met een zekeren voorvaderlijken eenvoud gekleed. Met niet minder zorg was ook het haar opgemaakt. De haartooi strookte volkomen met haar wezen. De haarvlecht was aan het achterhoofd door een omgeslagen en bevallig dichtgeknoopten doek, den zoogenaamden „saccus” [71] omsloten, terwijl het voorhoofd met de Stephane [72] versierd was, dat is, de reeds genoemde metalen plaat, die bijna als een diadeem het voorhoofd omgaf. Groote, ronde ouderwetsche oorbellen bengelden aan de beide kanten van het gezicht der eerwaardige Elpinice.

„Telesippe,” riep de bezoekster uit, „gij zijt vandaag bleeker dan gewoonlijk. Hoe komt dat?”

„Dat kan wel een gevolg zijn van den schrik,” hernam Telesippe; „wij hebben toch van daag een wonder in huis gehad.”

„Wat zegt gij?” riep Elpinice. „Is olie of wijn bij het plengen gestort? Of hebben de balken zonder bekende oorzaak gekraakt? Of is er een zwarte hond [73] in huis geloopen?”

„Een ram,” hernam Telesippe, „met één hoorn, en dat wel midden op het voorhoofd, is op ons landgoed geboren en heden morgen bracht de opzichter hem in de stad.”

„Een ram met één hoorn?” riep Elpinice uit. „Bij Artemis [74]! het verwondert mij niet, dat teekenen en wonderen geschieden. Op den Brilessus [75] moet den laatsten nacht een groote meteoorsteen uit de lucht zijn gevallen. Sommigen willen ook eene staartster in den vorm van een brandenden balk gezien hebben. Verscheidene godenbeelden moeten onlangs begonnen zijn te zweeten en te bloeden. Nog kort geleden moet zelfs een raaf zich op het vergulden Pallas-beeld te Delphi [76] hebben neêrgezet, die de vruchten van den ijzeren palm waarop hij stond, met zijn snavel heeft losgewerkt. Maar wat het mooiste is van alles—verbeeld u: de priesteres der Eumeniden [77] te Orchomenus [78] moet een langen, zwarten baard gekregen hebben!—Gij hebt toch een waarzegger laten roepen?”

„Ja, Lampon,” hervatte Telesippe.

„Lampon is goed!” hernam Elpinice met een goedkeurenden hoofdknik. „Hij is de beste van allen. Ieder kan een dier slachten en uit de ingewanden voorspellen, maar men moet Lampon zien en hooren, wanneer hij een ei boven het vuur houdt en uit de barsten zijne waarzeggingen put, of wanneer hij uit graankorrels, die hij op den grond legt, geheele woorden en letters opmaakt, dan er hoenders bijzet en er op let, wat zij oppikken en wat niet. Ook uit de hand, uit helder water uit wat men wil, kan hij voorspellen als niemand anders. Lampon is een knap man, op wien men zich kan verlaten. Wat Lampon zegt, daaraan kunt ge gelooven, alsof het de priesteres [79] op den drievoet te Delphi gezegd had.—Maar gij vertelt mij niet, hoe hij u het wonderteeken heeft uitgelegd!”

„Hij heeft dien éénen hoorn als een teeken verklaard van de heerschappij van Pericles over Athene,” zeide Telesippe. Elpinice trok den neus op. Zij zei niets meer tot lof van Lampon.

„Mijn broeder Cimon,” zeide ze, „gaf, zoo goed als iemand, acht op de goddelijke teekenen, en liet eens twaalf dagen achtereen een ram slachten, totdat de ingewanden gunstig waren. Toen eerst greep hij den vijand aan. Maar hij placht steeds tot den wichelaar, die hem van staatswege vergezelde, te zeggen: „Wichelaar doe wat uw ambt u voorschrijft, maar vlei mij niet! Vervalsch den wenk der Goden niet, om mij te behagen!” De tegenwoordige staatslieden daarentegen zijn daar niet mede gediend. De zieners weten wel, wie de waarheid wèl en wie ze niet willen hooren. En al mogen de lieden, die zich laten vleien, zich in een gunstigen afloop verheugen,—de ware zegen der Godin is toch nooit het deel van hen, die de Goden niet eerbiedigen.”

„Meent gij,” hervatte Telesippe, „dat Pericles Lampon bijzonder dankbaar was voor zijne voorspelling? Hij glimlachte slechts. Zijn vriend, die oude, door de Goden verlaten Anaxagoras, veroorloofde zich zelfs spottende aanmerkingen.”

„Sedert den dood van mijn broeder Cimon,” riep Elpinice uit, „hebben we de Sophisten [80] in het land gekregen, die Godenverachters!”

„En deze lieden,” zeide Telesippe, „ondermijnen niet alleen de godsvrucht en de oude zeden in den staat, zij verstoren ook het huiselijk geluk en de huiselijke welvaart. Ik ben de vrouw geweest van den rijken Hipponicus en vóór hem had ik zelfs den Archon Basileus [81] kunnen huwen, wiens gemalin toch eigenlijk de hoogste waardigheid in den staat bekleedt, omdat zij, naar een oud gebruik, aan de heilige priesterbedieningen van haar man deel neemt. Maar ik liet mij eerst door den rijken Hipponicus winnen, en vervolgens door het waardig en tevens zacht, innemend karakter van Pericles. En wat moet ik nu beleven, ik die aan iets beters gewoon ben geraakt! In welk een huishouden ben ik uit dat van Hipponicus gekomen! En hoe zijn de zaken steeds erger geworden! Pericles veronachtzaamt zich zelven en zijn huis. Wanneer ik tot hem ga, om over de gewichtigste huiselijke aangelegenheden te beraadslagen, dan heeft hij daarvoor geen tijd. Ik waag het nauwelijks meer ’s morgens in zijne kamer te komen. Hij wijst mij inderdaad de deur! „Lieve Telesippe,” zegt hij dan, „kwel mij ’s morgens toch niet met zulke dingen, of kom ten minste niet, dan nadat ge een bad gebruikt hebt en gekleed zijt, want ge beleedigt te gelijk mijne ooren en mijne oogen.”—Ik ben de vrouw geweest van den rijken Hipponicus en hij overlaadde mij met pracht en weelde; maar nooit heeft hij zulke taal tegen mij gevoerd. Hier integendeel, waar mij, in plaats van pracht en overvloed, enkel schrielheid en bekrompenheid omringt, hier zou ik mijn gestrengen echtgenoot en meester slechts mogen naderen, als ik een bad genomen heb en gezalfd en bekransd ben! Hoezeer heb ik mij verzet, toen hij op den inval kwam, zijne bezitting eenvoudig te verpachten en al ’t geld aan zijn vertrouwden slaaf Euangelus over te geven. Die is nu rentmeester en opzichter in huis, en ik, zijne huisvrouw, ben veroordeeld het geld uit de handen van een slaaf te ontvangen. Weet ge, van wien Pericles die mooie manier van huishouden heeft geleerd, en wie hem daarin met zijn voorbeeld heeft versterkt? Niemand anders dan zijn beste vriend Anaxagoras. Alvorens die ellendige dwarskijker en leeglooper zijne geboorteplaats Clazomenae verliet, om naar Athene te verhuizen, verweten hem zijne vrienden dat hij zijne gronden, welke hij van zijne vaderen geërfd had, niet bebouwde, waarop hij ten antwoord gaf: „Doet het zelven, als gij daar genoegen in hebt!” Daarna vertrok hij en liet al zijn hebben en houden aan de Clazomeniërs, zeggende: „jaagt de geiten van de gemeente in mijne akkers en weilanden.”—van dat allooi zijn de vrienden en raadslieden van Pericles!”

Telesippe’s klaagliederen werden afgebroken door een slaaf, die hare bevelen in een huishoudelijke aangelegenheid kwam vernemen. Andere slaven en slavinnen kwamen van de markt terug, na levensmiddelen voor den huiselijken maaltijd te hebben ingekocht. Telesippe rook of proefde het een of ander stuk, vroeg Elpinice’s oordeel over de frischheid van een schelvisch en deelde aan den kok hare bevelen mede. Voorts gaf zij aan sommige slavinnen vlas, linnen en andere stoffen om te weven of te naaien, ’t geen haar dagelijksche arbeid was.

Toen keerde zij naar hare vriendin terug, om het afgebrokene gesprek voort te zetten.

„Ik heb u het ergste nog niet medegedeeld,” vervolgde zij. „Vroeger was het hier een eenvoudig, maar rustig huishouden. Dat is veranderd, sinds Pericles zijn bloedverwant, den jongen Alcibiades [82], den zoon van Clinias, die zijn vader verloren had, uit onbedachtzame goedhartigheid in zijn huis opgenomen en hem met zijne eigene kinderen heeft opgevoed. Ik zeg uit goedhartigheid; maar daarin betoonde hij zich alleen goedhartig jegens zijn bloedverwant, onverantwoordelijk jegens mij en zijn eigen vleesch en bloed. Gij weet hoe flink mijne beide jongens Xanthippus en Paralus steeds geweest zijn en hoe goed zij door mij in behoorlijke tucht zijn gehouden. Den geheelen dag zaten zij rustig in een hoek en de paedagoog [83] viel bij hen in slaap zoo weinig moeite veroorzaakten zij hem. Pericles noemde hen steeds „suffers” en bekeef hen om hunne weinige opgewektheid en levendigheid. Inderdaad echter zijn het welopgevoede jongens, zooals ieder vader zich slechts kon wenschen. Zij hadden geleerd op een wenk te gehoorzamen. Zij deden niets, dan wat hun bevolen was. Zij zaten of liepen, wanneer men het wilde hebben. Als men zei: „Paralus, bijt niet altijd op je nagels!” of „Xanthippus, peuter niet met je vingers in den neus!” dan beet Paralus niet meer op zijn nagels en Xanthippus nam zijne vingers van den neus. En als ze soms wat lastig werden, dan behoefde men maar te zeggen: „de Mormo [84] komt” of daar is de „Empusa” [85] of de „Acco” [86] of „de wolf”, of „het paard bijt”, dan werden zij bleek als een doek en gedwee als lammeren. En nu? Gij kent de jongens niet meer, sinds die bengel van een Alcibiades in huis is gekomen. Met hem is leven en lawaai en allerlei onordelijkheid in de kinderkamer gekomen. Hij begon al dadelijk, met de ratelaars en drijftollen, waarin Xanthippus en Paralus bijzonder plezier hadden, in een hoek te stoppen en om houten paarden en wagens te roepen. Pericles gaf hem den zin en nu rent hij daarmede onder een verschrikkelijk geschreeuw en geraas door het Peristylium rond, alsof hij in de renbaan te Olympia [87] was. Weldra had hij genoeg van de houten paarden en hij spande Paralus en Xanthippus, ja eindelijk zelfs den paedagoog voor zijn „Olympische zegekar”, zooals hij het noemde. Voor afwisseling ving hij zwaluwen in het Peristylium, kortte hare vleugels of liet ze aan een lang touw vliegen.

„In het begin zagen de beide knapen de woestheid van hun nieuwen kameraad met eene soort van angstige verbazing aan. Langzamerhand echter werden zij er aan gewoon, sloten zich bij hem aan, als hij weer ’t een of ander kattekwaad uitvoerde, en zagen met alle aandacht toe. Later hielpen zij hem daarbij en eindelijk begonnen zij zelfs, al wat de wildzang deed, dapper na te apen. Maar hun ingeboren betere aard openbaarde zich toch altijd, doordat zij nooit zelven kwâjongensstreken bedachten. Zij deden alleen getrouw alles wat Alcibiades hen beval. Toen ik nu van de Mormo, de Empusa, de Acco, den wolf of het bijtende paard begon te spreken, lachte Alcibiades. Toen Xanthippus en Paralus Alcibiades zagen lachen, zonder dat dit invloed had op de Mormo, de Empusa, den wolf of het paard, lachten zij eveneens. Zoo verloor ik mijne macht over de jongens en luisteren zij niet meer naar mij. De paedagoog is een oud man, een slaaf in den dienst van ons huis vergrijst, die uit een olijfboom viel en zijn been brak en dien Pericles derhalve weder uit goedhartigheid in huis nam, om toezicht over de knapen te houden, omdat hij voor vermoeiender arbeid niet meer deugde. Nu is zelfs het vuur op den haard voor de jongens niet zeker; zij vernielen en breken alles, wat vernield of gebroken kan worden, zij klouteren op, waar zij maar kunnen, en vallen er af, dat het mij verwondert dat het altijd zoo goed afloopt. De slavinnen in huis worden geplaagd en geknepen, de slaven uitgelachen en afgeranseld. Kom ik dan eens ernstig tusschenbeide en dreig hen met mijne sandaal [88] dan kruipen Xanthippus en Paralus in een wip onder de tafels en bedden, en Alcibiades kloutert, als een eekhorentje, tegen de zuilen van het peristylium op tot aan de kroonlijst. En Pericles? Wanneer ik hem mijn nood klaag, dan lacht hij en neemt den belhamer Alcibiades in bescherming tegen de „suffers.”....

Op dit oogenblik werd Telesippe door den kleinen Paralus gestoord, die schreiend binnen kwam stuiven.

De beide andere knapen volgden hem op den voet.

„Wij speelden den razenden Aiax,” zei Alcibiades, „den razenden Aiax, die zoovele runderen versloeg, toen hij waanzinnig werd, daar hij hen voor Achaeërs hield en die stamvader van ons huis is, zooals mijn vader Clinias mij verteld heeft. Ik stelde Aiax voor, Paralus en Xanthippus de runderen. Ik heb hen echter niet hard geslagen.”

„Ellendige jongen!” riep Telesippe toornig opvliegende uit, drukte Paralus en Xanthippus aan haar hart en liefkoosde hen, om ze te troosten.

Inmiddels vestigde Elpinice onafgewend de oogen op den kleinen Alcibiades.

„’t Is toch een prachtig mooie jongen!” zeide ze. „Die donkere, vurige oogen—dat sneeuwwitte voorhoofd—die prachtige golvende lokken”—

„Een onhandelbare bengel is hij!” riep Telesippe, geprikkeld door de bewondering, die hare vriendin voor den knaap scheen opgevat te hebben. Toen riep zij den paedagoog. Hinkend kwam de oude man aanstrompelen. „Waarom hebt ge niet verhinderd, dat Alcibiades de beide knapen afranselde?” snauwde zij hem toe.

„Hij deed zelf in ons spel meê,” viel Alcibiades in; „hij stond reeds klaar als het Trojaansche paard, waarmede ik later Ilium binnen wilde trekken.”

Telesippe keek den paedagoog verbaasd aan.

„Gebiedster Telesippe,” hernam deze, „het is niet de eerste maal, dat ik gedwongen ben geweest aan de luimen van dezen dollen jongen mijn rug te leenen.—Gisteren heeft hij mij in de hand gebeten, als een jonge hond”—

„Bah, zeg liever als een jonge leeuw!” riep de kleine Alcibiades beleedigd uit.

„O Zeus en Apollo,” bracht Elpinice uit met levendige gebaren. Daarna den jongen tot zich trekkende, ging zij vleiend voort: „Gij zijt zeker een moedige knaap en zoo ge onder den grooten Cimon, mijn broeder, geleefd had, zoudt ge zonder twijfel geholpen hebben om de Perzen te verslaan. In dien tijd echter, mijn jongen, waren de knapen heel anders dan tegenwoordig. Zij waren niet brutaal en neuswijs en aanmatigend. En zij gebruikten geen zalven en warme baden. Aan tafel zaten zij netjes, zonder de beenen te kruizen en zonder een blaadje groente zelf te nemen. In de worstelschool strekten zij, wanneer zij op het zand zaten, de beenen zoo uit, dat de eerbaarheid er niet door beleedigd werd, en stonden zij op, dan wischten zij aanstonds de sporen van hunne jeugdige ledematen in het zand uit. ’s Morgens zag men hen dun en licht gekleed, ook wanneer het stormde en regende, naar den muziekmeester gaan en zij leerde daar oude, degelijke stukken, zooals „Pallas, de Stedebedwingster” of een gezang van Simonides [89], niet zulke weekelijke liederen, als thans in de mode zijn, met draaien en krullen, waarvoor men zulk een ondeugenden bengel met de roede moest geven. Bedenk, zoon van Clinias, weldra zult gij ook met uwe makkers naar de school gezonden worden, gij zult de spraakkunst leeren en gymnastiek en de lier bespelen en op de fluit blazen.”

„Neen!” riep de kleine Alcibiades, „op de fluit blazen wil ik niet—dat staat leelijk—de wangen worden er zoo door opgezet—zóó.” En daarbij blies hij zijne wangen op, zooveel hij kon.

„O, hoe ijdel!” riep Elpinice, en wilde den knaap kussen.

Doch oude vrijsters zijn bij kinderen niet erg bemind. Alcibiades blies Elpinice, om zich aan hare omhelzing te onttrekken, brutaal al de lucht uit zijn bolle wangen in het gezicht en sprong spottend lachend weg.

Elpinice was boos. Zij sprong op van haar stoel, om zich oogenblikkelijk te verwijderen. Zij nam haar himation weder op, sloeg den eenen tip van den langen mantel over den linker schouder naar voren en hield hem met den linker arm tegen het lichaam aan. Daarop trok zij het gewaad over den rug naar de rechterzijde, zoodat het niet alleen dit doel van het lichaam, maar ook het hoofd, met uitzondering van het gezicht, bedekte. Ten laatste schoof zij het onder de kin weder over den linker schouder terug, zoodat een slip over haar rug afhing.

„Gij ziet,” zeide Telesippe, terwijl zij hare vriendin nog weerhield, „gij ziet, welk een lot ik hier duld. Zoo slijt ik mijn leven, met dien ellendigen jongen aan den hals, met een echtgenoot, die er zich niet om bekommert, vreugdeloos, geplaagd, geminacht, ik, die eens de vrouw had kunnen zijn van Archon Basileus—ik, die deel had kunnen nemen aan de heiligste verrichtingen van den Atheenschen godsdienst!”

„Mijn broeder Cimon was gewoon te zeggen,” hernam Elpinice: „Nieuwe tijden, booze tijden!—De wereld gaat haar gang en zij bevordert het eerzuchtig pogen der mannen maar ook wij vrouwen zijn er nog. Denk er aan, Telesippe, en laat u, wat ik zeg, voor heden genoeg zijn: wanneer wij vrouwen ons aaneengesloten houden en ons vastklemmen aan de raderen, dan zal men de wereld niet zoo spoedig geheel uit het oude spoor lichten!”

III.

DE MARSKRAMER VAN HALIMUS.