Part 49
„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk? Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden, maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard was, en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust; ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden; want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond. Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt, van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige, voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.”
„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en getuige van eene vreemde liefde geworden?”—
„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates, „sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.”
Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten eenenmale was uitgedoofd.
De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem opnieuw te deemoedigen en te beschamen.
Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:
„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren; gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt, wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene voldoening schuldig was.”
„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.”
„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”—
Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven. Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks als luim bij Aspasia sprake mocht zijn.
Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals.
Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.
Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd, fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar „kir, kir” te hebben doen hooren.
„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik noemen.”
„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!”
„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates.
„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia; „nu eens zijn zij ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?”
„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.”
„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.”
Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.
Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward, dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.
Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende waarheidszoeker in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal van het Lyceüm gezeten had.
Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm, berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.—
Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?
Rustig en kalm stond hij op en zeide:
„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw achterlaat.
„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den aan Aphrodite gewijden vogel.”
„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks mede.”
„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”—
„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates. „Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te bestrijden?”
„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt zelf een Doriër geworden!”
„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende Pallas Athene te zijn.”
„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?”
„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen, versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster geworden”...
Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon, welke ondeugende Eros stak in dien vogel.
Zij raakte thans met de klauwen verward op de plaats, waar eene gesp de beide smalle einden van den chiton samenhield.
Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de schitterende witte schouders omhulde.
„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen.
De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog.
Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar durfde trotseeren?
Eene zachte huivering voer haar door de leden.
De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch, dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te mogen plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä.
Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der Atheners voedsel kon verschaffen.
Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen, die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen bogen.
Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals Socrates, van „zijn Daemon” sprak.
Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde, zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet den minsten invloed op zijn doen en laten oefende.
Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder toerustingen, die stof tot spreken gaven. Hij liet zich wapenen van eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de bliksemschicht van Zeus.
Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den gevleugelden knaap...
Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde, naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt.
Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot, eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der liefde, alleen die van het genot.
Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte. Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota, welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering ook weder den roep van haar naam.
Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever, dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare bekoorlijkheid waren de kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne makkers.
Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering met hare vrijheid zou moeten betalen.
Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.
Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens, hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht.
Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe vol schonk, dien ledigde en weder verder ging.
Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.
In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf, wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij hem lastig viel.
Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder eenige waarde, ja zelfs lastig.
Alcibiades zeide tot Theodota:
„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen, Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!”
Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans. Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw, overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet zich door den overmoedigen jongeling mishandelen...
Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken jongeling liggen.
Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige „zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde haar weg.
Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij dezen voor de arme vrouw te doen. Doch hij was zoo in gedachten verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij uitging zijn vriend aan den drempel vond.
„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij.
„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,” antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben, dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men noch vertrapt noch zich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is mij dit weder twijfelachtig geworden...”
Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte.
Na eenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het volgende aan Aspasia:
„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest. Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen gedrongen.
„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden, die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke wapenmakkers maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is. Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten, die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen. Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.
„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij tegenover eene betooverende vrouw stond.