Aspasia

Part 48

Chapter 483,720 wordsPublic domain

Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota, waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs [396] tegen de Corinthiërs met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den traan van Pericles.

Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een einde.

Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die veroordeelde.

Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen, houten bak.

De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den aangeklaagde geëischt werd.

Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den Archon.

Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere loten, die ten leven beslisten, namen in groote getale toe en zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.—

De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen.

Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora.

Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles. Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door de menigte gingen.

Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden aangeheven vreugdekreten der Atheners.

In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en overal werd herhaald:

„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”

Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem voorbij ging, een scheldwoord na.

Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast Pericles en Aspasia.

„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe vrienden!”

„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?”

„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates.

„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia weder.

„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.”

„En welke waren die?”

„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”

„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg, Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat, Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!”

„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd.

„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates en verdween onder de menigte.

Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe te voegen!—

„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij weet, hij meent het goed met ons.”—

Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van haar echtgenoot daarheen ging.—

Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken; een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met elkander fluisterden.

Het waren Diopithes en de oligarch Thucydides.

„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik.

„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde voor hem de schuldigen vrijspreekt!”

„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd treffen!”

XXII.

STRIJD EN ZEGEPRAAL.

Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en werwaarts hij voornemens was te trekken.

„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen overgeven.”

„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg Pericles.

„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk. „Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze! Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne holen te vervolgen en uit te roeien... Lacht ge er om, plaagzieke Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!”

„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert. En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere Narcissus [397], zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo. Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en kikvorschen....”

„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens onpartijdig in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga voorloopig naar Salamis.”

„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles. „Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.”

„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?”

„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,” hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel schoonere, waarachtig goddelijke rust en opgeruimdheid, den Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.”

„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides, „en gij denkt niet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden, om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te leven.”

„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken, den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen, of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den voorrang verdient?”—

Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af.

Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en alles toog derwaarts.

Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde richting te volgen:

„Ook heden, waarde zoon van Sophroniscus, zullen wij uwe lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender zaken beslissen.”...

Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.—

„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook besluiten mogen, ik heb een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd geworden.”—

„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af, dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.”

„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch gedreun zich heeft doen hooren.”

„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat in Hellas!”

Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief.

„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem, steenigt hem!”

Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.

Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren, was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden, uitgescholden of mishandeld geworden.

Tot woede echter was de verbittering bij de Atheners tegen de Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen.

De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam.

„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet! Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!”

Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk weg te doen voeren.

Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering, fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn...

Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren gekomen om voldoening te eischen voor het hun verwante en met hen verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.

Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:

„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?”

„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden...”

Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene groepen.

„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het, toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen hetzelfde deden!”

„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw, Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.

„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een vroolijk zeetochtje?”

„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en bitters!”

„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook, lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!”

Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!”

Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde plaats bleef.

„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk.

Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen.

Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een blijspel zou optreden.

„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit de menigte den ouden brasser toe.

„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken, lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen, mooie, hooggeschorte dansmeisjes.”

„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?”

„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld? Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van den mantel plukken...”

Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het bijtend, onbeteugeld gespuis der comedie-schrijvers trachtte te muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.”

„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke! Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten waarschuwen.”

Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl Cratinus voortging:

„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar gezuiverd wordt.”

„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt, dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”—

„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle „met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.”

Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil neergehurkt zitten.

„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!”

De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden en riep: „Lompe honden! Met viooltjes bekranste honden!”

Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers aan.

Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde en hem met zich uit het gedrang voerde.

De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden.

Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering. Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in handen hebt.”

Pericles zweeg.

„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus, „ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te leggen!”

Pericles antwoordde niets.

„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!” schreeuwde Pamphilus.

Pericles bleef zwijgen.

„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”—

Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter zich.

De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog altijd.

„Breng dezen man met uwe fakkel terug door de straten; want het is zeer donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne woning binnen.—

Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder, raadselachtiger, steeds meer als orakels.

Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van den Erechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij, „zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas aanschouwen.”