Aspasia

Part 47

Chapter 473,848 wordsPublic domain

Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood, eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp het ontvangen geld in het Barathon [393] en verkoos als bedelaar werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in ’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare plaatsen te zien; ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche rol kon spelen.

Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik af, dat hij bemerkte hoe de Erechtheüs-priester Diopithes en de bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van den Erechtheüs-priester en de werklieden van Callicrates tegen elkander in ’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren.

Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.

Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen bedelaar en den priester tot bondgenooten.

„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes.

„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel! Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”—

„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”—

„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te kruipen—zag hem zijn ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal en het ivoor en het blinkend goud.”—

„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”—

Bij dit woord begonnen de oogen van den Erechtheüs-priester zeldzaam te flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.

„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de Acropolis te maken?”—

„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.”

„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno? Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven van hen, die daarmede omgingen?”—

Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan. Een daemonische glans lag op zijn gelaat.

„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen, die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”—

En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon, als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan.

Na eene kleine pauze naderde de priester hem nog dichter en fluisterde hem in ’t oor:

„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?”

„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”—

Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen zijner werkplaats gekomen was...

Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig werkenden meester van het Parthenon.

De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van de Agora zou behandeld worden.

Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.

Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok.

Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen zweefde een verachtelijke glimlach.

Pericles trad tot haar.

Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken. Stilzwijgend sloeg hij een blik naar den somberen hemel boven zich. De lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den Noordelijken Strymon [394] naar Attica en hun gekras scheen een voorbode van regen te zijn.

Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden uitgesproken.

„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de lippen houden.”—

„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op. „’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te zoeken en er onder te leven.”—

Aspasia sprak niet één enkel woord.

„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar insgelijks in zijne geestdrift, in zijn fijnen smaak om te zien, te hooren en te genieten.”

„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van barbaarschheid, in zich bevat.”

„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten. Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den grooten hoop pleegt te noemen.”

„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.”

„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie, „genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die, welke ik u zooeven opnoemde?”

Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.

„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?”

„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de straten van Eleusis.”

Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers, verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de aangeklaagden.

Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen, wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.

„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.”

„Maar zou men het daarom niet kunnen?” schreeuwde een verschrompeld mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig aangewend!”

Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal, wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.”

„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een geheimzinnig gezicht, „die Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.”

„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie [395] te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.”

Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en tweedracht.

In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren hem omringden.

De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep.

Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te hooren, wat gesproken zou worden.

Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht, waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden worden.

Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig ronddwaalde.

Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw, maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen.

Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien.

Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware, verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel.

Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den staat.

Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te temperen.

Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en stipte nauwgezetheid afgelegd.

Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht, daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift voorlezen.

Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en uitvoerig toe te lichten.

Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht tegen Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de jeugd bedervend, in andere Helleensche steden rondzwierf: hoe zij verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen te verbinden.

Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene bekendheid dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige Dorische stad.

Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid. Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan, dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden, aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van godloochening.

De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een gemompel:

„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische moet vallen.”

Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten, verhief zich Pericles.

Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor luisterde in gespannen aandacht naar den eersten klank uit den mond van Aspasia’s gemaal.

Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet, zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag, zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.

Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een edel streven nooit misdadig kan zijn.

Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot, zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?—

Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit het hart voortkwam en tot het hart sprak.

Hij zeide:

„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land niet verkleind, maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij, door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete, niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en sleept haar voor zijne oogen ter dood!”

Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.

Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den hemel.

Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt, zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan.

Zij fluisterden elkander toe:

Pericles heeft geweend!

Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:

Pericles heeft geweend!

Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:

Pericles heeft geweend!