Aspasia

Part 46

Chapter 463,622 wordsPublic domain

Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid en minachting.

Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij, door Heracles in ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden.

Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.

„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?”

Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach den Erechtheüs-priester toe.

„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon aan!”

„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak de Erechtheüs-priester, „om den twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken vijand.”

„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een man, die nog erger is dan zij?”

„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?”

Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op ’t eerste oogenblik der ontmoeting.

Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden, waarbij grootendeels de sluwe Erechtheüs-priester het woord had gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander toch de hand gaven.

Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde, alleen voor de eer der Goden des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester, wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.

Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht, persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden, moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en bondgenooten noodig.

Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort. Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden; voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk zoo geliefden man.

Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.

Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon. Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte zich tot een bondgenoot van Cratinus, een Hermippus en andere blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles, door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.

Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de beide vrienden van Pericles.

Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een godloochenaar was.

Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen. Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid.

Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de Tripodenstraat in de richting van den Illissus.

Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn weg tot aan de Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.

Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen gelaten had.

Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.

Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was Pericles.

Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten waande.

„Niet met eene blijde boodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng, moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.”

„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard, „die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder terughouding, wat u op het hart ligt.”—

„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door den Erechtheüs-priester heimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”—

„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf voor een oud man!”

„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles, „wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet in staat ben te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.”

„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?”

„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal de wet worden, die de sluwe Erechtheüs-priester bij het opgewonden volk heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten. Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen: „Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar Cephalus u wacht.”

„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den Hellespont, niet verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund. Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.”

De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede, liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis.

Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron.

Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander.

Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de onstuimige baren.

„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en zelven op het veilige vaste land achter te blijven. Inderdaad echter ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken. Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.”

„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles, „verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt, maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen, somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en mijn lot zal ik mannelijk dragen!”—

Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun gemoed voor elkander uit.

Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en omarmden en kusten elkander.

Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:

„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk. Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben gevoerd!”—

Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het vaartuig.

Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee.

Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in.

Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende schip langen tijd na.

Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden morgen.

Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen, eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke zuilengalerij verdrong.

De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van beschuldiging.

Zij luidde als volgt:

„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en stellingen der godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan te zetten. Eisch: de dood.”

Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte——

„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’ huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!”

„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de blijspeldichter!”

„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora openen.”—

Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de Heliasten [392] openlijk zou behandeld worden.

Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën krachtig bevorderen.

Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling Agoracritus. De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek te vervolgen. Het viel den Erechtheüs-priester niet moeilijk hun geheele gesprek af te luisteren.

„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om het Trojaansche paard in metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.”

„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas! verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.”

„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus. „En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van weelderigheid en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn, en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”—

„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander bij dit werk gehad hebben, dan den sluwen Erechtheüs-priester!”

„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?” vroeg Agoracritus.

„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van den Erechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb, dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe, nietswaardige, wraakgierige Erechtheüs-priesters!”

„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht Priapussen moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.”

„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!” sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist tusschen de zuilen in de zon lag.

De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd.

Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.

„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide Phidias.

Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den beeldhouwer.

„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen uitkrabben!”

Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder het woord van Homerus:

„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”

„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas, ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte, oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!”

Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk, nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er afvloog.

Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar en van den Erechtheüs-priester ontmoetten elkander.

Zij kenden elkander.