Aspasia

Part 45

Chapter 453,805 wordsPublic domain

„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld, zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt, ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het meisje bukt zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee, omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten, haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden toe. Hij heeft slechts een lijk gered.

„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje. Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen. De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn heerlijk loof schier bedekt.”—

Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige paar.

Aspasia sprak na eene korte pauze:

„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt, kan ik toch den machtigen indruk niet weren, dien deze eenvoudige steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan verzinnen?”

Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een bliksemstraal door zijne ziel.

Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak hij, zich tot de Milesische wendende:

„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.”

„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”—

In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen zijne ziel vervulde.

Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd verbonden blijft [390], verstrooiden zich de meisjes om bloemen te plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden tooien.

Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden Triton vervulde.

Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.

Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van Aspasia’s school!

Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon gestoord worden.—

En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte vijandige, loerende oogen gericht.

Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen.

Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd en haastig tot zijne makkers:

„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte Simaetha!”

„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen toorn ontstoken, „hoe? is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit verheugt?”

„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren, zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons, wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid zich thans aanbiedt.

„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven, alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te nemen en haar met ons naar Megara te voeren.”

Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit uit de verte.

„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen kunnen, ja misschien zonder dat zij het bemerken. Want als wij van een oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is, vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter geweld gebruiken, dan ware het te vreezen, dat die jongelingen misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!”

Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes.

Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen. Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina, naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip, waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.

De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha te vangen.

Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen, vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina, die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden.

Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het schip bevonden, hoorden de angstkreten der meisjes en snelden ijlings ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich met de roeispanen hadden gewapend.

Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.

Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te vervolgen.

Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven, daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren, om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.

Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt; maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden; bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te nemen. Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten haastig koers naar Athene.

„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe klippen.

„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde rotsen van de Atheensche Acropolis!”—

XXI.

DE MUILEZEL VAN CALLICRATES.

Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen. Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene: Megara moet getuchtigd worden.

De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha, die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven. Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan, waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was de lieveling van Aspasia geworden.

De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara. Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven, dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde voldoening zouden hebben gegeven.

Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche markt de Megarensers, en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.

Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen, en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en door den afval der Attische kolonie Potidaeä [391] eene zekere onrust zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien. Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder de Hellenen geworpen.

Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal, als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had.

De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen tegen den „nieuwen Pisistratus.”

Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman Lysicles en dien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles aan te randen.

Niet onverschillig beschouwde Pericles de moeilijkheden, die menige daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar. De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven.

„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend. „Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot, dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige, armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O zeker, Pericles, het ontbreekt mij niet aan begeerte naar dappere daden.”

„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard gaan.”

„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen? en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?”

„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”—

„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide Alcibiades.

„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het niet te verspillen, maar het te behouden!”

Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.

Deze echter ging van Pericles naar zijne vriendin Theodota en herhaalde glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:

„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene. Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch zijn!”—

Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en de Erechtheüs-priester Diopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had gesmeed.

Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes voorbijgegaan. Reeds te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren, wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met de plechtigheid van een Godsgezant was de Erechtheüs-priester voor de menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.

Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht; doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles aan.

De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken, zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou worden vergoed.

Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen na zich.

Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven. Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden, die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd. Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest vreeselijke wraak gezworen.

Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en onbewaakte deur van het heiligdom van Erechtheüs en Athene Polias binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid had.

Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor.

Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de trappen van het Parthenon.

Een der werklieden van Callicrates had uit de verte gezien, dat de Erechtheüs-priester het muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was gevallen.

Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van Callicrates.

Thans was de beker van toorn vol in den boezem van den Erechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang beraamde plan der wraak.

’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud te zamen.

Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen Callicrates.

De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare schreden aansluipen.