Aspasia

Part 44

Chapter 443,732 wordsPublic domain

Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid, kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt als de hoogste wet der schoonheid en des levens.

Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.

„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen, verzachten. Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden. Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eene moeilijke kunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.”

Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na, evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid, naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel.

Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.”

Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel meer bekoort dan plompe weelderigheid.

Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen van Sappho bij de luit zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.

Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt. Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof in helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.

En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven. Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zij verraste, door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.

Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten, bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer school ook buiten hare woning uit te breiden.

Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen. Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was.

Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden. Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring, Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering, die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren.

Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van zijne overmoedige makkers zou mede nemen.

Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan, en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen. Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich niemand op het schip.

Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche [387] heuvels.

Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te onderzoeken, terwijl de visschen daarentegen uit de blauwe zee somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug daaruit in te zwelgen.

Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen. Alleen Cora zag, als zij in den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.

De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde zich in Cora.

De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees. Want zij begon ten laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die verre over de zee klonk.

Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het bemerkte.

Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen donkere blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van Alcibiades, bijna dreigend als haviken op eene vlucht duiven. Daar echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem. Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.

In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd. Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.

Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen, schoten op tusschen de klippen.

Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het ruischen van de in gelijkmatigen rhythmus aan- en terugklotsende golven bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die zweefde over de klippen.

„Bij alle zeenimfen!” zei Alcibiades: „het is hier zoo vreedzaam, als aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de nabijheid de verliefde Cycloop Polyphemus moest zitten, starend op de zee, waar het beeld van Galateä [388], zich spiegelt in den vloed, terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf zoodat hij druipstaartend terugloopt.”

Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.

Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de bergen van de Peloponnesus.

„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den strijd, ruwe sombere Peloponnesus!”

„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische bergen.

„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend.

Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van dezen zetel op zijne vloot nederzag.

Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem.

Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.

Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt, toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp omkneld werd.

Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.

De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen, had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel, dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met zijn vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten halve, die wraakgedachten.

Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht zijner levendige phantasie.

„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.”

Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had.

„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil. Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden. Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?”

„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren, wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?”

„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus, „dat ik nu reeds sinds jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.”

„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden, wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met schranderen geest volkomen weder te geven.”

Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.

Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen, smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen. Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene breedgebladerde acanthus [389] had met zijn prachtig loof niet alleen den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.

Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de aanwezigheid van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.”

Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen, hernam Callimachus:

„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument heeft meegedeeld.

„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede, bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn vaderstad Athene.