Aspasia

Part 43

Chapter 433,783 wordsPublic domain

Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men begon van dit oogenblik af hem met een zekeren afschuw te aanschouwen, als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.

Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken, toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”. Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs, wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef altijd geliefd.

’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem bijna met de teederheid van een vader.

Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel. Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt gezonden.”—Hipponicus lachte dat zijn buik schudde, en roemde bij de heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—

De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door haar vader reeds geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de stad der Atheners gedurig toenam.

Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.

Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot. Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen hoe langer hoe wijder uitbreidde.

Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—

Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling wil schilderen.

Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De ongelukkige! Zoo zeker als het ’t meest benijdenswaardig geluk scheen, door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk hem te beminnen!—

De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van het huis, waarin hij opgevoed was.

Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in ’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist, dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte, tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen. Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was. Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest was te zoeken.

Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.

Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de naburige Dorische stad zouden uitbreken.

Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin Aspasia.

„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.

„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus nogmaals een klein zeetochtje voor eenige dagen te ondernemen. Wij hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danste lustig op de golven.

„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep, waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal, zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht omver wierpen of vernielden.

„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk. De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en zeilen getooid, de met purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.

„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht, dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en verdween uit onze oogen.

„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte. Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblaf voortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze verschrikt uit elkander vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden. Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.

„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen, toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan. Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed, verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken. De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners, antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend, waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige voldoening de plaats te verlaten.

„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.

„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid. Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt, aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.

„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van de Megarische kusten.”

„En het meisje?” vroeg Aspasia.

„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha [385] is haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet der Helleensche vrouwen, maar toch zeker de bekoorlijkste der Helleensche jonkvrouwen!”

Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den koenen jongeling aangehoord.

Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar de eigenschappen van het meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.

Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te loor gaan.

De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet zoo goed als eene dochter.

Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den edelen grijsaard van Milete, den bekenden Philammon, dien Aspasia in het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug te keeren.

Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot Alcibiades:

„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil, om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele, bloeiende meisjes, ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus, veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha, zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt, ter bewaring; beleg om zoo te zeggen, uwe bezitting op renten: gij zult ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug ontvangen.”

Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen verlaten en Aspasia toe te vertrouwen.

„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone kind in uw huis te komen bezoeken.”

„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare vorderingen.”

Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld hebben, dan thans geschiedde.

Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor dien naam.

Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit Megara gevoegd.

Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust. Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.

Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.

De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere, schrandere Milesische. Hare leerlingen konden, evenals hare meesteres, machtige en uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.

Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige, bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens; zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na, maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof, zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.

Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd [386]. Zij verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven, waaraan zij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon beproeven.

Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als ’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de muziek, een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid.

Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen en vrij te maken.