Part 42
Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen: liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de heerlijke velden.
Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige zaken.
Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen, waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—
Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans, verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche, niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium [380] zich verheffend naar den haar verwanten, goddelijken aether.—
Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de eigen kracht zijner oogen, in luisterrijken glans: het volle, heilige licht van Eleusis.—
Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinische geheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde, eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn en ander nachtgebroedsel, wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en verwante element wel bevinden en niet in de donkere afgronden van den nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht voor, en wat zich het heilige licht van Eleusis noemde, scheen haar geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille, spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht, dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen, scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht. Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende phantastische kunsten der Eleusinische priesters.
Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.
’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners, wemelende Eleusis geen geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.
Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.
Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een onaangenaam geval van gansch anderen aard.
Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt. Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren, terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen ernst der mysteriën te velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens en der vreugde plaatste.
Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.
Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar verwijtingen toe te voegen.
„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht? Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje! Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”
Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:
„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer wilt gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—
Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar echtgenoot Pericles te gemoet.
Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.
Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was aangekomen.
Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het verderf zouden kunnen storten.
Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij, was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij aangeklaagd en veroordeeld was.
„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden, hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak, als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende bedreiging boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig, zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluwe Erechtheüs-priester tot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van Hipponicus.
De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.
Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had binnengeleid.
Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.
„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij wilt, zij verdient het!”—
Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van plan waren hem in staat van beschuldiging te stellen, bereid waren zich in het geheim met hem te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen. Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het onderhoud vastgesteld.
Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in verlegenheid en verwarring bracht.
De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk. Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was. Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte, over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs verbittering in de gemoederen.
Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te verschaffen.
’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.
„Wat is er voor nieuws in Athene?”—
„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen verwijfd zijn.”—
„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door eene vrouw bestuurd wordt.”—
„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—
„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—
„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—
„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in Klein-Azië heeft rondgezworven?”—
„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar den onderrok van de heldenbedwingende Omphale [381], welke rok, zooals men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—
„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag zacht.”
„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder zullen aanstaan.”—
„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—
„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s [382] nest, die van hunne jeugd af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam, geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—
Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen, met opzet gesproken, in het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.
Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom haar.
Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar omringend en haar aangapend volk:
„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd rustig en kalm mijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch, welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt. Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan? Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere tweetal Godinnen [383] van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige beschermvrouw van het Attische land en volk wier beeld stralenden, vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw burg!”—
Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de mannen elkander aan, zeggende:
„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter wille daarvan moet men haar veel vergeven!” [384]—
Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg kon vervolgen.—
Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden, waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar den Erechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.
Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus genoodigd had, was gekomen.
Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders van Pericles, waren bij den priester verzameld.
De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.
Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven, als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.
Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat. Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.
De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen. Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.
„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten wij heimelijk naar een vast plan te werk gaan, om ’t verderf dier schuldigen voor te bereiden.”
Zoo sprak de Erechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.
Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd; alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar den daduchus.
Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.
Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.
Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde zijn ouden vriend in ’t oor:
„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen verscheuren, den Erechtheüs-priester en zijne geheelen aanhang!”
XX.
DE SCHOOL VAN ASPASIA.
Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.
De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan de nakomelingen achter te laten, de wetten door het volk gegeven te gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af te schaffen.
Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.
De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge Demus, de om zijn schoonheid beroemde zoon van Pyrilampes, die insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.
Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat, den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.