Part 41
Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—
In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het bereiken van hun doel wachtte.
Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had gebeiteld, was zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de Attische mysteriënstad Eleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote mysteriën.
Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren, bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij stonden.
Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te Eleusis zou vertoeven.
De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten, door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën ingericht, vele onderaardsche vertrekken en labyrinthische gangen van ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden veroorloofd was te aanschouwen.
De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht strevenden geest der Hellenen.
Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken geest in ’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”
„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia. „De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen vast aan het schoone, vroolijke heden!”—
Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot hen, die de inwijding der mysten [361] voltrokken.
Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,” zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt, dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige Hipponicus,” voegde Aspasia er bij, „schijnt mij tot deze laatste soort te behooren.”
Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat overigens er mede gepaard ging en wat ze van hem eischte, daartoe gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.
Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel aan gelegen te laten liggen.
Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht. De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca. [362]
Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot Aspasia.
„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des „erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”
Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen: terwijl daarentegen den niet ingewijden beschoren is ten eeuwigen tijde in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.
„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij ’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden, en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit heil deelachtig te doen worden.”
„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle andere u mede te deelen.”—
„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding deelachtig te worden?”
„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan, gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te aanschouwen.”
„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen? Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de grootere ontvang?”
„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.
„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.
„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige gebruik,” antwoordde de daduchus.
„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in het midden.
„De hiërophantes [363] is een van die strenge en ernstige mannen, zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn van dien opperpriester op den hals willen halen?”
Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen en moeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield van vrede en behagelijke rust.
Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis. Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van Telesippe.
Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche priesters en overheidspersonen; Telesippe stapte als Basilissa [364] en deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met fier opgericht hoofd aan zijne zijde.
Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van stilzwijgendheid afnam.
Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—
„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe! Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”
Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals zij, op Pericles alsmede op de Milesische in ’t voorbijgaan scherpe en loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd in de drie gekrenkte gemoederen op.
In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem de feestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts. Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels. Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.
Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften, gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.
Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden ingewijd.
Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe, en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.
Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen: en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover de gade van Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd. Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten einde het met te grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar vurig verlangen zou inwilligen.
En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog [365] voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den „tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor eeuwig zou in acht nemen.
Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.
Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden zich Pericles en Aspasia.
Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar, geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards, eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de hand.
En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch, dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen, alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.
En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den mond van den Hiërophantes uitgelegd.
En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke tonen van fluit- en snarenspel.
Nu echter werd de schare van mysten langs trappen naar onderaardsche gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol, doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen zwerftocht.
Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het voorhoofd.
Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende Echidnen [366], vreeselijke Chimaeren [367], die de gestalten van een leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met hondenkoppen, blaffende Scylla’s [368] en het huiveringwekkende beeld van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen. Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods, zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd omkranst met affodil [369], met eene omlaag gehouden fakkel in de hand, naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke afstanden aflegt.
Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het weeke vleesch.
Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke, uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke, hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.
Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker en haar gelaat marmerwit...
Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische [370] dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een driekoppigen hond [371].
Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden, zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en omgeven door somber vlietende stroomen.
Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone [372] waar in het vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk met treurig neerhangende twijgen.
Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels wiegelden.
Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar, zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend offerbloed.
Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld. Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus [373], de vuurstroom Pyriphlegeton [374] en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.
Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders vóór hen opensprong.
Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren in den dieperen jammervollen afgrond van den Hades.
Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn [375]—door eeuwig dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde begeerte de handen uit te strekken [376]—met eeuwig vergeefsche krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te wentelen [377]—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende inspanning in een bodemloos vat te scheppen [378]—de steeds aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier [379] en de ledematen aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.
Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk worstelen en streven.—
Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel was met angst en siddering vervuld.
Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.
Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al luider het geween en gesteun der boetelingen.
De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten; maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren, scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—
Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste duisternis: