Aspasia

Part 40

Chapter 403,737 wordsPublic domain

„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes, „schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken? Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”

„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in zoo verre, dat daardoor het Helleensche volk ten levendigste er aan herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf daartoe wordt aangespoord.”

Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars, gebeiteld door de hand van Polycletus.

Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:

„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij, dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft, die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze heeft nagebootst.”

Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak op Polycletus.

„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden, schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te vervaardigen.”

Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet lang daarna onder het een of ander voorwendsel.

„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus van Olympia waardig zij.”

„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom ontsluit ook het leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”

De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.

„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel liet.”

„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”

Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia in het hart van Alcamenes.

Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.

Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes, Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden, achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone levendigheid voortzette.

Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger zijne blikken.

Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk tegenover de gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had, hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?

Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van gekrenkten trots.

De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de vormen van haar vroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men bijzonder vertrouwd is.

Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.

Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron was voor zijn kennis op het gebied der kunst.

Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder onuitputtelijk was in dit opzicht, door hare bekoorlijkheden.

„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.

„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”

„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u heb misdreven! Wat gij mijn haat noemt, het was de wraak der liefde!”

„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”

„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes hebt geprezen!”

Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.

De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot bezinning bracht.

Op dat oogenblik trad Pericles binnen.

Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.

Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.

Pericles was bleek.

„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de trekken van Alcamenes gelezen.”—

„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft, zooals men eene vrouw doet, die men...”

„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.

„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon. Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar de uwe beoordeelen. Gij kent het niet onedel maar hartstochtelijk karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”

„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten bondgenoot!” zei Aspasia.

Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het vertrek van Aspasia.

Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.

„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij onheil aan.”

Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt. Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de verkoeling.

Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde alles wat zij vergeeft?—

Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar. Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het grootste werk zijner handen zou onthullen.

De met spanning verwachte ure was genaderd.

Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd. Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel trilde door de toppen der boomen.

Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten. Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.

Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge, schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet daveren [359].

Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel; met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van den Olympiër een olijfkrans gedrukt. In de linkerhand hield hij den uit verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter. Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans van het goud en het ivoor te beter uitkomen.

Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel, zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion [360]. Op de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.

Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite, uit het schuim der zee.

Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was de uitdrukking der hoogste majesteit.

Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles. Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende, overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer onder het goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.

Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem doorvlijmde...

Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld: spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God met het vertrouwen van een kind.

Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men hoorde uit de verte den rollenden donder.

Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.

Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.

Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.

Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.

Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische Goden en reliëf waren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en gebarsten...

Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had verbrijzeld...

Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit, zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem slechts als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.

„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige...”

Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend verzoek.

Zij zochten Phidias op.

Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.

Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te onttrekken.

Hij bleef voor hen verborgen.

Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen, verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.

Niet alzoo Pericles.

Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn voorhoofd had verdreven.

Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne ontroerde ziel de overhand.

Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen bliksem.

Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had gestooten.

Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.

Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte...

XIX.

HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.

Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen. Hier werd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden, in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een grauwen, eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen. Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig bezegeld.

Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens, die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk, en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend. Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende; Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis, wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust en de alverwinnende kracht van het schoone.

Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?

Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken toovergeur te verspreiden.

Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende, Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.

In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering, die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing. Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan, waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.

Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.