Aspasia

Part 4

Chapter 43,742 wordsPublic domain

„Dat zal ik!” riep de toornige Agoracritus, met een donkeren blik. „Eene Nemesis zal zij worden, mijne Cyprische Godin.”

„Wien derhalve, schoone vreemdelinge,” zeide Pericles, „zult gij nu den lauwertak en wien de roos overreiken?”

„Beide aan u!” hervatte de Milesische. „Van deze beiden is geen overwinnaar of overwonnene. En op dit oogenblik betaamt het, alle kransen in de hand van den man te leggen, aan wien dezen het te danken hebben, dat hun de baan geopend is, om naar de edelste lauwers te dingen!”

Hiermede reikte zij lauwerkrans en roos aan Pericles over. De schitterende oogen van beiden ontmoetten elkander een oogenblik en bleven vol beteekenis een korten tijd op elkander gericht.

„Ik zal,” zeide Pericles, „den lauwertak tusschen de beide jongelingen verdeelen, de welriekende, liefelijke roos echter behoud ik voor mij zelven.”

Hij brak den lauriertak in twee stukken en verdeelde dien onder de beide jongelingen. Toen zeide hij, rondom zich ziende: „Ik geloof, dat ik nu niemand hier meer ontevreden laat. Alleen de droomer daar schijnt mij toe nog met zekere ongerustheid en ernstige gelaatstrekken voor zich heen te kijken. Hebt gij nu nog bezwaren, waarheidsvriend?”

„Ik vroeg straks,” hernam de aangesprokene, „uit uw naam, de schoone Milesische, of alleen door goud en krijgsmacht, of soms ook door de beoefening van het schoone, van het goede en voortreffelijke, een staat een anderen voorrang zou kunnen afwinnen. Wat het schoone betreft, heeft ons de Milesische bewezen, dat dit tot gezegd doel voortreffelijk geschikt is. Ik zou nu echter ook gaarne willen weten, of dit ook het geval is met datgene, wat ik nog niet noemde, met het goede en de innerlijke voortreffelijkheid.”

„Naar mijn oordeel,” sprak de Milesische, „is het goede één met het schoone; wanneer dat echter niet het geval en integendeel daarmede in strijd is, dan zou ik het voor genoemd doel niet geschikt houden.”

„Wilt gij ons ook de bewijzen daarvoor leveren?” vroeg de droomer.

„Bewijzen?” hernam de Milesische glimlachend; „ik weet niet of daarvoor bewijzen bestaan. Wanneer mij die invallen, zal ik ze u zeggen.”

„Juist!” viel Pericles in; „wij willen deze zaak tot eene volgende gelegenheid uitstellen.”

De zonderling haalde de schouders op en ging heen.

„Deze wonderlijke man is, naar het mij voorkomt, nog niet geheel tevreden gesteld,” merkte Pericles op.

„Neen,” hernam Alcamenes; „ik ken hem: hij geeft zich den schijn dat hij hoogst bescheiden is, maar het hindert hem zeer, wanneer men hem de leiding van het gesprek ontneemt, en wanneer de quaestie niet haarfijn tot dat doel geleidt, ’t welk hij heimelijk beoogd heeft. Doch zijne ontevredenheid is spoedig voorbij; hij is een goedaardige ziel, licht tot verzoening geneigd.”

„Hoe heet hij toch, die zonderlinge waarheidsvriend?” vroeg Pericles.

„Socrates [46], de zoon van Sophroniscus!” hernam Alcamenes.

„En de schoone vreemdelinge, van wie wij heden zooveel geleerd hebben; hoe heet zij?” vervolgde Pericles.

„Aspasia!” zeide Alcamenes.

„Aspasia?” riep Pericles. „Die naam is zacht en zoet; hij smelt weg op de lippen als een kus.”

II.

TELESIPPE.

Pericles had sedert de bijeenkomst ten huize van Phidias wakend en peinzend de nachten doorgebracht. De schat van Delos hield hem steeds bezig, waarmede een nieuwe tijd voor de macht en de heerlijkheid der Atheners gekomen was; de gesprekken, die in het huis van Phidias gevoerd waren, weerklonken nog steeds in zijne ziel en wanneer hij, om aan die reeks van woelende gedachten te ontkomen, de oogen sloot, dan verscheen hem halfwakend in een vluchtigen droom, het bekoorlijke beeld der Milesische, en de vochtige, aphroditische glans harer betooverende oogen drong door tot in het diepst zijner ziel.

Allerlei plannen, sedert langen tijd opgevat, kookten in Pericles’ gemoed. Vluchtige gedachten namen allengs een bepaalden vorm aan, en besluiten kwamen er uit voort, evenals de rozen, des nachts rijpende knoppen schieten.

Op een morgen zat hij peinzend in zijn vertrek, toen zijn vriend Anaxagoras hem kwam bezoeken. Van zijn vroegste jeugd af, met den wijzen Clazomeniër [47] door vriendschap verbonden, was Pericles nog steeds menigen morgen bezig, om de nieuwe onderzoekingen, welke Anaxagoras’ heldere, vurige geest ingesteld had, te overwegen. Nieuwe meeningen waren het, welke die stoute denkers—en Anaxagoras nam onder hen eene eerste plaats in—verheven boven de kinderlijke beschouwingen der vaderen, uit de diepte van hun nadenkenden geest, begonnen te verbreiden.

Heden echter bemerkte de schrandere man aanstonds reeds bij het binnentreden, dat gedachten van een geheel anderen aard zijn vriend bezig hielden; hij vond den anders zoo kalmen en waardigen staatsman opgewonden, terwijl zijn oog van dat matte vuur gloeide, ’t welk een in gedachten doorwaakten nacht te kennen geeft.

„Is het volk heden tot eene vergadering van gewichtigen aard op den heuvel de Pnyx [48] samen geroepen?” vroeg de grijsaard, den Olympiër in ’t gelaat ziende; „ik herinner mij dat ik u slechts bij zulke gelegenheden zoo peinzend heb aangetroffen.”

„Inderdaad verzamelt het volk zich heden,” hernam Pericles, „en het zijn gewichtige zaken, die ik van plan ben daar te behandelen. Ik vrees of ik het zal kunnen doorzetten....”

„Gij zijt strateeg” [49] hernam Anaxagoras, „gij zijt bestuurder der openbare inkomsten, gij regelt de openbare feesten, gij zijt—de Goden mogen het weten, hoe al de ambten en waardigheden, welke de Atheners u met gewone en buitengewone volmacht opnieuw hebben opgedragen, mogen heeten; om ’t even: gij zijt wat het gewichtigste is en de hoofdzaak in een vrijen staat—gij zijt de grootste redenaar, die men den „Olympiër” noemt, omdat met den donder uwer woorden eene soort van heerschersmacht is verbonden, evenals met den donder van Zeus. En gij zijt beangst?”

„Ja, dat ben ik!” hernam Pericles, „en ik verzeker u, dat ik nooit den steen op de Pnyx bestijg, zonder in stilte de Goden aan te roepen, dat geen onbedacht woord mijn mond ontglippe, en dat ik nooit een oogenblik vergete, dat het Atheners zijn tot wie ik spreek. Gij weet hoe ongeduldig het volk onlangs reeds is geworden, toen ik het telkens weder aanspoorde nieuwe sommen voor het bouwen van den middelsten langen muur en ter vernieuwing van den Piraeus toe te staan. En nu heeft mij Phidias bepraat, mij nieuwe groote plannen voor den geest gespiegeld. Zijne brandende begeerte en die der zijnen moet niet langer weerstaan worden; ons Athene moet met de lang overdachte werken van deze mannen versierd en ten overstaan van geheel Griekenland verheerlijkt worden. Gij weet, ik behoor tot diegenen, welke het nieuwe met behoedzaamheid aangrijpen, het gegrepene echter vasthouden en met vurigen moed ten uitvoer brengen. En zoo heb ik ook, vóór ik deze zaak begon, rijpelijk haar overdacht; nu echter ben ik in stilte wellicht vuriger daarvoor bezield dan Phidias zelf en de zijnen.”

„Is het volk der Atheners dan niet met geestdrift bezield en kunstlievend?” zeide Anaxagoras. „En is niet de rijke schat van Delos overgekomen?”

„Ik vrees het wantrouwen,” hernam Pericles, „’t welk geheime en openbare tegenstanders uitzaaien. De oligarchische partij is niet geheel overweldigd. Ook weet gij, dat er vrienden der Laconiërs zijn en dezulken, die het licht en het reine en het schoone haten. Hebt gij het zelf niet ondervonden, sedert gij in de zuilengaanderijen der Agora zijt opgetreden, om ons Atheners de boodschap der reine, vrije en uit den geest geborene waarheid te verkondigen. Intusschen zal ik heden eene troef uitspelen, die voorloopig de menigte ten volle op mijne hand zal brengen. Er zijn arme burgers, die van de hand op den tand leven en die morgen honger moeten lijden, wanneer zij heden hun arbeid staken en, om hun burgerplicht niet te verzuimen, naar de volksvergadering gaan. Waarom zouden zij niet door een paar obolen [50] uit de staatskas schadeloos gesteld worden? Ook heb ik te doen met die arme drommels, die zoo gaarne de openbare schouwspelen zouden willen bijwonen, maar het entreé-geld niet kunnen betalen. Zij zullen er van staatswege heen mogen gaan, om ongemerkt door de werken hunner dichters zich te doen vormen en veredelen, terwijl zij meenen alleen hun genoegen na te jagen. En die goede zielen, welke bij duizenden uit het volk door het lot worden gekozen om aan de vele gerechtshoven als assessoren te worden toegevoegd, zij moeten voortaan niet meer zonder schadeloosstelling den geheelen dag verliezen, om de tallooze processen hunner medeburgers in het zweet huns aanschijns te beslechten.

„Athene is rijk, nieuwe goudbronnen ontspringen om ons en storten zich van de landen der bondgenooten in onze schatkist uit. Een groot saldo is in kas. Ik heb mijzelven afgevraagd: moet dat als reserve voor de toekomst bewaard worden of moet het den tegenwoordigen tijd ten goede komen? Na wikken en wegen is het mij helder geworden, dat het heden daarop het grootste recht heeft. Het volk moet de vruchten zijner zegepralen en roem plukken, het moet vrij en gelukkig zijn; een schoon, benijdenswaardig bestaan, zooals den mensch past, moet in ons door de Goden geliefd Athene in het leven geroepen worden.”

„Ik heb den edelen Pericles dikwijls in zulk eene gloeiende geestdrift gezien,” merkte Anaxagoras op, „maar uwe bezieling van heden schijnt mij sterker te zijn, dan iedere geestdrift te voren.”

„Ik dank den Goden,” hernam Pericles, „dat zij mij, bij beradenheid in het overleg, de snelste vurigheid van besluit en den taaien moed van uitvoering hebben gegeven. Zijt gij soms ontevreden op mij? Schijn ik u toe mijne plannen te ver te drijven of te weinig rekening te houden met het altijd overijlde en soms ondankbare volk?”

„Laat mij het openlijk bekennen,” hernam de grijsaard, „ik bemoei mij niet met staatkunde. Ik ben geen Athener, wellicht niet eens een Helleen, maar een wereldburger, een wijsgeer. Mijn vaderland is het onmetelijk heelal.”

„Maar gij zijt wijs,” zeide Pericles, „en kunt de daden der staatslieden beoordeelen, of het ten goede dan ten kwade zal uitloopen.”

„Daarvoor zal ik mij in acht nemen!” riep Anaxagoras. „Niet alleen de dichters, maar ook de staatslieden volgen onwetend een goddelijken wenk, zijn door een daemon [51] bezeten, die hen bezielt, en hen schier onbewust tot datgene drijft, wat voor het oogenblik waarlijk noodzakelijk en nuttig is. Het gewone menschenverstand zal te ras oordeelen en dwalen, wanneer het den arbeid geldt van door eene Godheid bezielde mannen. Ik heb mij in de verborgen geheimen der natuur verdiept en overal daarin een besturende Geest gevonden; de geest echter is onfeilbaarder en machtiger in het voortbrengen en werken dan in het oordeelen...”

Zoo onderhielden zich de beide mannen vertrouwelijk in het vertrek van Pericles. Op dit oogenblik echter trad een slaaf binnen, door de echtgenoote van Pericles, Telesippe, gezonden.

Het was eene zonderlinge boodschap, waarmede deze dienaar van de meesteres des huizes kwam. De opzichter van Pericles was dezen morgen van het landgoed gekomen, en had een jongen ram meegebracht, die op genoemd landgoed met één hoorn in plaats van met twee was ter wereld gekomen. Dit dier nu had de opzichter, niet zonder aarzeling en angst, aan zijne meesteres getoond. Telesippe, eene vrome vrouw, had aanstonds naar den ziener Lampon gezonden, om het wonderteeken te verklaren. Nu noodigde zij haar echtgenoot uit, te komen, ten einde het zonderlinge dier te zien en met haar de uitspraak van den waarzegger te vernemen.

Pericles hoorde het verhaal van den slaaf aan, en zeide toen goedig tot zijn vriend:

„Laat ons de vrouw ter wille zijn en gaan, om den eenhoornigen ram te beschouwen.”

Anaxagoras stond op en volgde Pericles bereidwillig.

Zij begaven zich naar het peristylium [52] van het huis.

Het huis van Pericles was eenvoudig. Het was niet grooter, niet rijker versierd, dan dat van een anderen Atheenschen burger van matig fortuin.

Het was eenvoudig, evenals de levenswijze van den eigenaar. In eene republiek moet de invloedrijkste man eenvoudig leven, wanneer hij zich tegen het wantrouwen zijner medeburgers wil vrijwaren. Maar ook zonder berekening en bedoeling zal een man, die zich rusteloos aan het welzijn van den staat wijdt, zijne eigene huishouding steeds een weinig verwaarloozen. Eenvoudig en onopgesmukt was ook het peristylium in Pericles’ huis. Maar er ontbrak niet die prettige bekoorlijkheid, die met dat eigenaardige en liefelijkste deel van het huis, met dezen door zuilen omgevene opene plaats, op de wijze van eene zaal gebouwd, overal gepaard gaat. Men bevond zich toch hier in het binnenste der woning en tevens onder den vrijen hemel. Men was daar afgesloten van alle gedruisch der buitenwereld, en toch in onmiddellijke aanraking met frissche lucht van den hemel, die van boven er in waaide, met de zon, maan en sterren, die onbelemmerd hare gouden stralen uit de hoogte op de marmeren zuilen wierpen. De zwaluwen vlogen vertrouwelijk tjilpend uit en in, en bouwden hare nesten aan de kapiteelen en lijsten. Niet aanlokkelijk naar buiten als de tempels, maar naar binnen keerde het woonhuis, als ’t ware afwerende, zijn zuilenpraal, om ruimte te verschaffen aan den vrijen, en toch vertrouwelijken, bekoorlijken familiekring. Hier zat men, hier wachtte men ook wel bezoekers af. Hier nuttigde men soms ook den maaltijd. Hier bracht men ook de huisoffers ter eere der Goden; hier stond de eigenlijke haard van het huis, het altaar van den haard-beschermenden Zeus [53].

Achter den zuilengang, die alle vier zijden van het peristylium omgaf, strekten zich de woonvertrekken van Pericles’ gezin uit. De deuren der kamers kwamen daar op uit. Smaakvolle versierselen bedekten de posten en kroonlijsten der deuren; de openingen waren gedeeltelijk slechts met bonte tapijten schilderachtig behangen. Naar achteren grensde het vrouwenvertrek aan het peristylium, en daarachter lag de kleine, goed omheinde tuin. Betrad men van de straat het huis, dan voerde een gang, die door het voorhuis liep, recht naar het peristylium. Aan de zijde van den ingang, zoowel aan den linker als aan den rechter kant van de vierkante opene ruimte, liepen de zuilengangen; aan de zijde, die tegenover den ingang lag, werd door een paar pilaren een middelvertrek afgescheiden, dat binnenwaarts inspringend, eene naar het peristylium opene, van de drie overige zijden echter door wanden ingeslotene voorzaal, vormde.

In deze voorzaal stond Telesippe, de echtgenoote van Pericles, door eenige slaven en slavinnen omringd, en naast haar de opzichter, die van het landgoed gekomen was, met den eenhoornigen jongen ram op de armen.

Telesippe was eene slanke vrouw met strenge, niet leelijke, doch ietwat ruwe trekken. Zij was statig en eenigszins zwaarlijvig, maar haar uiterlijk was niet meer bloeiend. De wangen hingen slap, slap de boezem, slap, achteloos en zonder zwier hing ook het gewaad langs hare ledematen af. Het haar was nog niet opgemaakt en naar achteren in een grooten bos opgebonden. Zij was bleek, want zij had zich dezen morgen niet geblanket. Deze vrouw, de echtgenoote van den grooten Pericles, was vroeger met den rijken Hipponicus gehuwd geweest. Deze scheidde van haar en zij had Pericles tot nieuwen echtgenoot gekregen. Toch zag zij er nog jeugdig uit; de blos op de wangen deed hare koele, strenge oogen minder ongunstig uitkomen.

Toen Telesippe, in de naar het peristylium opene zaal staande, haren echtgenoot niet alleen, maar in gezelschap van Anaxagoras zag naderen, maakte zij aanstalten om zich voor den vreemdeling, naar de zeden dier dagen, in het vrouwenvertrek terug te trekken.

Pericles wenkte haar te blijven. Zij bleef dan ook, maar zonder het grijze hoofd van den oude verder met een blik te verwaardigen. Zij had, en, naar zij meende, met reden, weinig met dezen grijzen vriend en raadsman van haar echtgenoot op.

Met een soort van angst keek zij naar den ram. „Ik heb den ziener Lampon ontboden,” zeide zij, „ik ben voor een slecht voorteeken beducht.”

Op dit oogenblik opende de portier de buitendeur en liet den ziener binnen, die aanstonds door den langen gang naderde.

De ziener Lampon was priester van een kleinen tempel aan Dionysus [54] gewijd, welke niet veel opbracht. Hij legde zich daarom op de mantiek [55] toe en niet zonder geluk. Hij had bij de vromen een goeden naam. Hij droeg, om uiterlijk zijn beroep te doen kennen, het priesterlint om het voorhoofd, en daarover den Apollonischen lauwerkrans [56] op het hoofd. Overigens zocht hij, naar de gewoonte van mannen van zijn slag, door een achteloos gewaad, ongekamden baard, wild fladderend haar en een schuwen, zwervenden blik te kennen te geven, dat zijne ziel, aan de aarde ontrukt, met goddelijke zaken vervuld was.

„Dit wonderdier,” zeide Telesippe tot Lampon, „is op ons landgoed geboren en dezen morgen in de stad gebracht. Gij zijt een der kundigste waarzeggers, verklaar ons dit teeken, of wij het als een gunstig dan als een noodlottig moeten beschouwen.”

Lampon liet den ram op het altaar van Zeus Ephestios leggen.

Eene kool glom toevallig nog op het altaar. Lampon trok een haar uit het voorhoofd van den ram en wierp het op de glimmende kool.

„Het teeken is gunstig,” zeide hij; „want het haar is verbrand zonder hevig knetteren.”

Toen vestigde hij den blik op Pericles en vervulde vervolgens zijne wichelkunst ten opzichte van den ram. Pericles stond toevallig rechts van den ram. „Het teeken is gunstig voor Pericles!” zeide de ziener met een gewichtig gebaar, en stak overeenkomstig een gebruik der mantiek, een laurierblad in den mond en kauwde het, om door het genot van het kruid, den God der zieners gewijd, zich in een toestand van heilige bezieling te brengen en het rechte zienerswoord door geestvervoering te vinden.

De oogappels van den wichelaar begonnen zich onder krampachtige trekkingen te verdraaien. Plotseling boog de ram zijn kop ter zijde, zoodat de hoorn op ’t midden van zijn voorhoofd in eene rechte lijn naar Pericles wees en hij liet een eigenaardig geluid daarna hooren.

„Heil u, Alcmaeönide,” riep Lampon; „heil u, zoon van Xantippus, overwinnaar der Perzen bij Mycale [57], edele spruit uit het geslacht der Buzygen, de heilige Palladium-bewakers [58]! Heil u, overwinnaars van Thracië [59], van Phocis [60], van Euboea! Vroeger bezat de ram Athene twee horens: den aanvoerder der oligarchen Thucydides, en Pericles, den leider der volkspartij. Voortaan echter zal de ram Athene slechts een enkelen hoorn op het voorhoofd hebben; de partij der oligarchen is voor altijd vernietigd en Pericles alleen bestuurt met wijsheid en fierheid de lotgevallen der Atheners!”

Anaxagoras glimlachte. Pericles nam zijn vriend ter zijde en sprak zacht tot hem: „De man is sluw; hij rekent er op, onder de waarzeggers te worden opgenomen, die mij van staatswege op mijn volgenden veldtocht zullen vergezellen.”

„Maar wat moet er met den ram geschieden?” vroeg Telesippe.

„Deze ram,” hervatte Lampon, „moet zoo vet mogelijk gemest en daarna aan Dionysus geofferd worden. Want voor dezen God zijn de bokken een geschikt offer, wegens de schade, die zij aan de wijnstokken toebrengen; eigenlijk de geitebokken—maar een bok is een bok, en bij gebrek aan een geitebok is ook een „schapebok,” als deze, den God niet ongevallig.”

Zoo luidde de verklaring van den ziener. Hij nam drie obolen in ontvangst als zienersloon, boog het hoofd, waarlangs de lokken achteloos golfden en vertrok.

„Waarde Telesippe,” zeide Anaxagoras, „hoe duur betaalt men toch tegenwoordig de wijsheid! Drie obolen geeft men voor het orakel aangaande een bok, die met een enkelen hoorn geboren is, om ons datgene te zeggen, wat zonder belooning reeds de uilen van Athene in hunne holen krassen!”

Telesippe wierp den spreker een van toorn gloeienden blik toe, die deze met de opgeruimde kalmte van den wijze opnam.

Telesippe wilde den toornigen blik door een scherpe opmerking doen volgen. Daar vernam men een geklop aan de buitendeur. De portier opende de deur en eene vrouw trad binnen, vergezeld door eene slavin, die aan de deur bleef staan. Het gelaat dezer vrouw had de roode kleur, maar ook de rimpels van een ouden appel, die door het lange liggen ineengeschrompeld is. Eenige dunne, korte, donkere haren overschaduwden de bovenlip.

„Elpinice, de zuster van Cimon!” [61] fluisterde Pericles Anaxagoras in het oor. „Laten wij naar de Agora gaan; want tegen deze beide vrouwen te zamen kunnen wij het hier in huis niet uithouden.”

Zoo sprekende trok Pericles zijn vriend ter zijde in de zuilengaanderij en ging met hem, na een vluchtigen groet aan Elpinice, haastig over den drempel van het huis de straat op.

Elpinice, de zuster van Cimon, was een zonderlinge vrouw. Zij was de dochter van den gevierden held Miltiades, de zuster van den niet minder beroemden veldheer Cimon, en de vriendin van een der voortreffelijkste schilders dier dagen Polygnotus. Zij was eenmaal schoon en bekoorlijk geweest, zelfs schoon genoeg, om den smaakvollen schilder te verrukken. Maar zij moest Aphrodite vertoornd hebben, want door eene boosaardige luim der Godin was in hare ziel geen teeder gevoel aanwezig, behalve de liefde voor haar broeder. In haar bijna mannelijke borst was geen verlangen naar het echtelijk geluk; zij wenschte slechts haar geheele leven lang in de nabijheid van haar broeder te mogen verkeeren. Het gebeurde echter, dat Cimon door den dood zijns vader Miltiades in een uiterst moeilijken toestand geraakte. Miltiades was door de ondankbare Atheners aangeklaagd en tot eene geldboete van vijftig talenten veroordeeld, en daar hij weldra stierf, zonder die som betaald te hebben, ging de schuld van vijftig talenten, overeenkomstig de harde bepaling der wet, op zijn zoon Cimon over. Zoolang deze de vijftig talenten niet betaalde, was hij burgerlijk eerloos. Uit liefde voor haar broeder had Elpinice ongehuwd willen blijven en uit liefde voor haar broeder huwde ze nu. Om haar hand te verkrijgen, delgde een zeker Callias de schuld van Cimon. Deze Callias stierf na eenigen tijd en Elpinice zocht zonder dralen het huis van haar broeder weder op.

Na de belegering en onderwerping van het eiland Thasos [62] bracht Cimon den schilder Polygnotus, een geboren Thasiër, met zich naar Athene. Cimon had de bekwaamheid van den jongeling opgemerkt, had hem lief gekregen en wenschte aan zijne kunst een uitgebreider en waardiger veld te openen. Hij bewerkte, dat aan Polygnotus door de Atheners opgedragen werd om den tempel van Theseus [63] met schilderijen te versieren; ook schilderde hij op Agora in de groote galerij, die juist naar deze pracht van kleuren de „bonte” of de „beschilderde” [64] genoemd werd, tooneelen uit de verovering van Troje [65]. Daar het huis van zijn vriend en beschermer altijd voor hem open stond, ontbrandde de jongeling in vurige liefde voor Elpinice, en toen de uitspraak der Grieksche helden over de gewelddadige behandeling, door Aiax Cassandra [66] aangedaan, in de galerij geschilderd werd, had Laodice, de schoonste van Priamus’ dochters, onder de Trojaansche gevangenen, de trekken van Cimon’s zuster. Zij weigerde den kunstenaar hart en hand; doch zij schonk hem hare vriendschap. Sedert waren ettelijke jaren vervlogen, maar de vriendschapsband dezer beiden duurde nog steeds voort, nadat Cimon gestorven en Elpinice, evenals Polygnotus, oud was geworden.