Part 39
Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije ruimte, die zich uitstrekte tusschen den schaduwrijken oever van den Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en marmeren beelden.
Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.
Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides uit Orchomenus [345], gene van den rijken Pauson van Eretria. De bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten. Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich bij de bonte tentenrij aan.
De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de vrij harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige, vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen. Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.
Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en hunne overwinningen.
Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat hij met lang haar [346] en een purperen kleed te Olympia gekomen was. Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen! Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de Hellanodiken.” [347]
Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden [348], of om een man, die, op een spreekgestoelte staande, aan het luisterend Helleensche volk de door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.
Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.
„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde, „toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met iets pronken, ieder opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”
„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone, bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken. Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te brengen...”
Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.
Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen [349] en de Leontiërs [350] deelen plechtig allen Hellenen mede, dat zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs [351] geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs [352] en Demetriërs [353] een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging hebben aangegaan.”
Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs[353] betuigen ten aanschouwe van het geheele Helleensche volk den Phliasiërs[353] hun dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs[353].”—
„Dat was wel de moeite waard!” riep een Kenchraeër met een spottenden glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren doen!”
„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”
„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van alle Lechaeërs aan te spietsen!”
„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief hij dreigend de vuist op.
Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met rust, of gij hebt met mij te doen!”—
„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne vriendelijkheden op uitloopt!”—
„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”
„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te breiden?”
„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers reeds vooruit gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de werkplaats van Phidias wijzend.
De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.
Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.
„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners? Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen; hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der Panhellenen [354]. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen! Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden van alle oorden elkander herkennen!”—
De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte: „Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de harten der bewegelijke, licht ontvlambare Hellenen. Kreten van toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.
Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen, tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar den strijd der Lapithen [355] en Centauren voorgesteld en daarin zijne voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.
Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.
Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion [356] uit. Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden wijgeschenken bewaarden.
Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op Olympia. Zij zagen onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen ter linker zijde het stadion en den hippodromos [357], de plaatsen voor de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios [358], de wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige feestterrein van Olympia lag.
Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen, die haar kwelden.
„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei van den Alpheüs hebben gekozen?”
„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes lachend.
„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven, Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”
Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij de standbeelden van Polycletus.
Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het overoude beroemde aschaltaar van Zeus.
De verrichtingen van deze heilige plechtigheden duurden tot diep in den nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het begin der spelen af te wachten.
Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den Cronos-heuvel.
Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende hitte ten toon werd gespreid.
„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende menigte dwalen?” vroeg Pericles.
„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk, zoo groot geworden in vele dingen, die waarachtig schoon en heerlijk zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”
„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”
„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering en ruwheid terug zal voeren.”
„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.
De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.
Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag, vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd. De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders hen onder gekregen hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden verduren.
„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit, met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een lantaarnpaal.”
„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een in olie gedoopten doek had omwonden.
„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik, een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen, waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”
„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch is, de rug echter het teerste!”
„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in de maag met zich te dragen.”
„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Een athletenmaag moet ook tanden kunnen verduwen.”
„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.
„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht beven—blijf ik nog staan!”
Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond, ging er op staan en vervolgde:
„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”
Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten, zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne stelling.
Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de pink van de overige vingers los te trekken!”—
Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere vingers gesmeed te zijn.
„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand in de spaken te grijpen!”
„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”
„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”
„Hoe?” riep de Spartaan Anactor, „de Thessalische hardlooper zal tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”
„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten hier uit het zand bijeen rapen!”
„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals de kok den inktvisch!”
„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u bij kruimels kunnen wegdragen!”
„Gij vecht met woorden,” riep de Boeötiër Cnemon daar tusschen in. „Dat is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden bewijzen.”
„Dat willen wij doen!” riepen beiden.
„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein bevinden?”
„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.
„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort bleef?—maar toch een grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerst den dienst weigert, die moet zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”
„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel halen en hem aan het spit braden.”
Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.
Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische wedstrijden aan te zien!”—
Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen met Aspasia den weg naar huis in.