Aspasia

Part 38

Chapter 383,851 wordsPublic domain

„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende, ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo statig door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het witte maanlicht omschenen.”

Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere aandoeningen.”

Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:

„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten, dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”

„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.

Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op de open weiden in het woud en in de houtspleten stonden hoog opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten. Van cicaden [341] wemelde het hout onder de brandende zon.

Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken; het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.

„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering. Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”

„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt, zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds welriekender, dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”

„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel, tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”

„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven, bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te begeven en kudden te weiden [342]. Blijf hier! Gij kunt dan als eene cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij naar Athene zal vergezellen.”

Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u te nemen?”

„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”

Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”

„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”

’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken, zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.

De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag de gast van den herder te blijven.

Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, vertelde herdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge, kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:

Het beekje komt van ’t rotsgebergt’ En stort zich in het woud; Er grazen reeën in het dal, Het lachend ze aanschouwt.

’t Besprenkelt bloem en blad met dauw En lescht der dieren dorst, En komt de barre winter aan, Wordt het met ijs omkorst.

Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis [343], die van zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en teekenen van afkeuring...

Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.

Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener spin verward had.

Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar opnieuw van Athene begon te vertellen.

Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten verzonken.

Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter daar een gelukkig lot zou verbeiden.

„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd dit ééne:

„Dat mogen de Goden geven!”

Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten gaan.

Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare ontsteltenis.

„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met u naar Athene zou gaan.”

„Hoe dan?” vroegen beiden.

„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht, totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”

„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg Aspasia.

„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.

„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.

„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia glimlachend.

De ouders van Cora kwamen nader.

„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen, maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.

De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon dan het meisje, de woorden:

„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—

Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en kusten het.

„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken van haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”

„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar beneden is gevallen.”

Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart, voegde het zich in den wil van den God.

Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het landelijk erf ronddoolde.

Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.

XVIII.

DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.

Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen, niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten, niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen. Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.

Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven; geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad, bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was, ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het talrijke geleide.

Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover den ingang van het woud, bevond zich eene groote beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord, het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt, onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.

Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.

In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.

Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone zijne mededingers kon overvleugelen...

Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen kunstbroeder had aangeknoopt.

Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne school zonder eenige hartstochtelijke bitterheid naar den eerepalm dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom deze zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene, ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.

„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan. Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea [344] hem heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep, zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te arbeiden.”

„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet gemakkelijk kunnen volgen.”

„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over zijn Olympischen beheerscher der Goden.”

Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:

„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne gade, de schoone Milesische Aspasia.”

„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel vreemd.”

„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet haten, zonder haar te beminnen.”

Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.

„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien, maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne begeleiden.”

„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas voltooiden tempel van Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven, in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”

„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien. Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”

„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het heilige woud u toeblinken.”

Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide der beide groote kunstenaars aan.