Part 37
Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles zich op een gouden wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel. Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten, dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden, beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.
„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!” zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”
„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”
Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen omhoog. Van het geloei der kudden runderen weerklonken de dalen. Overal bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden God [335] zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing, ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed schuimde uit de harige borst van den ram.
Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.
Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde, lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.
Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de takken.
„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch gehoord te hebben, dat Pelagos [336] genoemd wordt, wegens het sterke ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit woud waar wij thans doortrekken.”
De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen, verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De Arcadiërs voorspelden een naderenden storm. De reizigers verhaastten hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte weerklonk het gehuil van den wolf.
Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen van alle kanten woedde.
Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder uit de knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij zich, hunne gidsen volgend.
Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met zich sleepend.
Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woud in allerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden strijd der elementen.
Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld. Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder. Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige honden liepen blaffend aan zijne zijde.
Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde en heette de gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.
Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.
De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.
Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei der runderen uit de dampende stallen....
„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”
Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag. Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte van het water spiegelde.
Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen: vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld. Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan loopenden geitebok vatte de herder bij zijn harigen kin en streelde hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”
De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht, waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in deze, haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van kinderlijke verbazing rond te staren.
De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op. Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand van het meisje.
Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter was, zijn eenig kind, en dat zij Cora [337] heette. Hij zette hun nu verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.
Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den laatsten tocht zeer vermoeid waren.
Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw en zeide met geheimzinnig gebaar:
„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe, zooals die toch menigmaal bij arme herders hun intrek hebben genomen. Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”
„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”
„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”
Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond, toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend witte tanden, prees hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de stervelingen vereischten.
Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden, ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in. In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen, glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de verwijderde bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld, die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx [338], alsmede gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide, dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis, door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne gemalin het rechtersambt te vervullen.
Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.
Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen, een slanken knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist voor te stellen.
„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?” vroeg Aspasia den knaap.
„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.
„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge van Cora? Cora wil niets van u weten!”
De knaap zuchtte en sloop weg.
Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone, heldere en schrandere oogen aankeek.
„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote, ronde, kinderlijke oogen en zeide:
„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen. Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich verbergt. Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets geheimzinnigs in zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”
Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een brandend hout verjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin geslagen en is voor altijd verloren.
De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk beangstigde oogen open.
„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles [339] ze had geveld. Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”
Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen, dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx, dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar zijner bespringers.
Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het herdersmeisje sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders ruimte scheen overgelaten.
„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet ongaarne deel zoudt willen nemen.”
„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen, overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde bespringen, met een brandend hout verjaagd.”
„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het Arcadische land, Atalante [340] die, door haar vader als kind te vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben, door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen zachtere aandoening iets weten wilde.”
„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”