Part 36
Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het „paardenvoedende Argos” [332] schitterde de blauwe zeeboezem van Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt, hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.
Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester. Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven, muren en gewelven van den voortijd.
Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen. Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en schier uitgestorven heerscherstad der Atriden [333] nog woonden. Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn onsterfelijk heldenlied. Het licht der volle maan, dat rondom op Argos’ bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken. Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts gekeerden heerscher der volkeren...
Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de grafkelder tevens der Pelopiden was.
Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden, verschikte hen de gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben, op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte, nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe, zilte nat zijn leden had geteisterd.
De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen, tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.
Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.
„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze hulde te bewijzen.”
Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het diep in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.
Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt. Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde kringen den beschouwer tegen.
Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen was.
Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.
„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”
Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.
Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.
Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in het huiveringwekkend, geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.
„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien de onzichtbare atomen van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren zullen inademen!”—
„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen, maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”
„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen afwisseling is leven.”
„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze verliefde paren opnieuw gevoeld?”
„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen, maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus een weinig ingekrompen zijn.”
„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon gebeiteld!”
„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend, met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van onsterfelijke bouwvallen?”
„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.
„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich hernieuwt?”
„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.
„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”
„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden glimlach in de rede.
„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit van de schoonste Helleensche vrouw!”—
De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich te vreden te stellen met het geluk van Paris.—
Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—
Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met zijn verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar ’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in de blauwe lucht.
Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.
„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”
„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden; integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van Odysseus’ vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den droom gezien.”
Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.
Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de Arcadische aan te vangen.
Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.
Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op bevel van Pericles een der boekrollen, die de zangen van Homerus bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien, begrepen zij den dichter eerst ten volle.
Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees, terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.
„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast. Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt, menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen, helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”
Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.
„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk, vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende Achilles [334] bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord, dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”
„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.
„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”
Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen gewapend, te gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels, spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad. Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in de zon zich koesterden.
Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden, onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te gemoet.—
Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht gehulde gebergte.
„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die huiverde.
„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”