Aspasia

Part 35

Chapter 353,765 wordsPublic domain

„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult zijn; want dan alleen kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met zalfdoosjes en eenige cinnaber [323] dit doel te zullen bereiken. Maar alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden, vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten, eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat wij met alles wat in ons is, voor het recht van ons geslacht willen strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping behoort.”

Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken. ’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.

Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.

Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:

„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in den kring van geboren Atheensche vrouwen?”

Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.

Elpinice echter vervolgde:

„Hoe durft de Milesische het wagen ons de les te willen lezen? Wil zij zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid? Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen, wij zijn bij het Braurons feest [324] als bloeiende jonkvrouwen aan die zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen, door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster, misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”

Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:

„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe Adonis-feesten [325]. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”

„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger vertoornd uit, „waagt gij het onze tempel te betreden, onze heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”

Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene dreigende houding aan.

Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’ gade kozen.

Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te wakkeren.

Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.

„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche, wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—

„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare kinderen!”—

De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia blikte.

Elpinice echter ging voort:

„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas, voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen meten!”

Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.

Elpinice nam opnieuw het woord:

„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij, als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”

Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op; zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke minachting:

„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven! Bedaart wat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en te bijten?”

De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s partij maakten aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den Thesmophoriën-tempel.

Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den geest te bevrijden.

XVII.

HET MEISJE UIT ARCADIË [326].

Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden, maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.

Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte, maar zalige, eenzaamheid aan het Ionische strand had gesmaakt. Soms maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene, waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen, die als het gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.

Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar Aspasia scheen de tocht al te moeilijk door het bergland van Argos en Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide ter sprake gebracht werd.

In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen. De uitgelatene blijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch zij verborg ook een scherpen angel.

Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.

Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van Aspasia toegeschreven.

„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”

En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.

Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend, bijna vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de voeten der Milesische...

Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het Pelops-schiereiland [327] te betreden, dan op den brandenden bodem van Athene te vertoeven.

Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.

Snel werden de voorbereidingsmaatregelen voor de reis genomen, en weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen echter waren er ook, die het in stilte benijdden....

Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus [328]. Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om vandaar in de reis over de moeilijke wegen van de Peloponnesus behulpzaam te zijn.

Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware vluchtend, het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel bespoedigden...

Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.

Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome, menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het niet.

„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia. „Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed gezorgd.”

Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit te storten, eene spreuk of een vers gesneden, soms ook een wijgeschenk aan de takken opgehangen.

Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:

„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat het misdeed!”

Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met de hoogste eerbewijzen ontving.

Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke, genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee, tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen, zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen was.

Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië. Zij zagen tusschen de tallooze bergen en dalen de blinkende zeeboezems en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.

In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied in de zuilengangen en priëelen omzwierven.

„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles, „gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin, de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn, zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de liefde voor de aangenaamheden des levens gepaard gaat.”

Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles, zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten glimlach, zich tot Aspasia richtend:

„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft? Dat tegenover die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles en Perseus hun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den prijs? Stroomen niet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt deze Peloponnesus, en de wateren van den Styx [329] besproeien niet te vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken in die ruwere lucht.”

„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend! Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het zegevierende licht van Pallas Athene!”—

Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.

Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn zou springen. Dan glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het gebergte had medegenomen:

„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis [330], de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen Thebe” [331], op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”