Aspasia

Part 34

Chapter 343,838 wordsPublic domain

„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk feit voor, dat ieder man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken, die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde, als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van haar wezen...” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen, maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet ontwikkelen! Hoevele zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone en het goede te maken!”

„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel berust!”

„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden, dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—

Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar een lesje te geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.

Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de gade van Pericles geworden was?

Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.

Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.

Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten; maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.

Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is, de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen, en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst door een verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf het geval zijn.

Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en plannen meer openlijk voor den dag gekomen.

Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van Pericles in een tal van partijen verdeeld.

Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.

Tot de onverzoenlijkste en nog steeds gevaarlijkste vijandinnen van Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin van Pericles en de zuster van Cimon.

Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen de gade van Pericles op te hitsen.

Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk der liefde en van den echt berustte.

Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen redeneertrant te beproeven.

„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”

„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.

„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,” vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”

„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.

„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”

De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag. Aspasia echter zei glimlachend:

„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van haar man de beste aller vrouwen te zijn. Velen vorderen van anderen de liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”

Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor onwankelbaar echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter beviel.

Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten, met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van vermakelijk genot verschafte.

Zoo drong zich op een goeden dag een zekere Clitagora met geveinsde bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.

Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?

„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd, alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar meesterstuk is de zachte en lichte sesamee [321], die zij uit sesamusmeel met honig en olie in de pan gereed maakt. Zij neemt gepelde gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om, besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is, laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die met de zoogenaamde Cappadocische [322] koeken dweepen. Men kneedt ze het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en moeten geheel heet op tafel komen.”

Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond, wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te bewijzen.

De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school, waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia, die tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot overwinning zou helpen voeren.

Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te bereiken.

Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare macht te brengen.

Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een, dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.

De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.

Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot aan den avond in den Thesmophoriën-tempel vergaderd. Demeter en Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.

Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.

Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.

Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en de feestzangen te babbelen op kuischlam in den Thesmophoriën-tempel. Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden elkander van toovermiddelen, om in het kraambed te gebruiken, of deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.

„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der meesten rondom haar uitkwam.

„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te behandelen, als Pericles Aspasia doet.”

„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in te richten als Pericles met Aspasia doet.”

„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige, kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”

„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen het meest verlept en geblanket waren.

„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en onze mannen dwingen het goed te vinden.”

„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster met een boosaardigen lach.

„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die vrouw plaatste, met hare handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik mijn man tot een hoorndrager maak?”

„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uwe leermeesteres Aspasia zal u dit wellicht nog leeren!”

Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar, die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden blik op haar.

„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich voortplantte. De geheele Thesmophoriën-tempel geraakte in oproer. „Wat is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man binnengeslopen?”

„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”

Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.

Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.

Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de vermetele vestigde.

Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden toe:

„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest dat weten! Ik ken u precies! Gij zijt Critylla, die door uw eersten man Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom die het altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—

Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:

„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht, hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”

„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij elkander aanzagen. „Critylla heeft zich vergrepen, door Pericles en Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als deze!”

„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”

„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijn cachet verzegeld.”

„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten Molosser-hond gekocht, die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne afwezigheid binnen moge sluipen.”

„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging Aspasia voort.

„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”

„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te koopen?” riep eene tweede.

„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar huis.”—

„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd krijgen te vragen, wat daar beslist is?”

„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan. „Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”

„En als gij niet zwijgt?”

„Dan is het nog erger!”

„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is stilzwijgen!”

„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!” klonk het in den kring.

„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”

De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder elkaar.

Aspasia echter ging voort: