Part 33
„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte, als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen, heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—
„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”
„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus weder werd afgebroken.”—
„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede, „gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles in de wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het voor heden laten berusten.”
„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt, alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute waarheid.”
De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige uitdrukking aan en hij zeide:
„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”
„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—
„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst hebben begonnen?”
„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden beschouwing te willen vervangen.”
„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen het alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner toehoorders werken.”
„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest zal zoeken.”—
„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—
„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen ontzegd werd.”—
„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken, omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven is.”
„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op terugkomen.”—
„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer eener schoone liederlijkheid te geraken.”—
„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij zelven niet tot schoonheid en genot geroepen zijn.”—
„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras, schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”
„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”
Socrates zeide:
„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”
Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor van opgewondenheid in zijne trekken.
Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben gegeven.
„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”
Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone Milesische welgevallig zou zijn.
Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in Aspasia een toenemend gevoel van afkeer en bijna zonder zich er van bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte” altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan hem zelven te schande te maken.
XVI.
DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST [320].
„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden, voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel Athene.
Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.
Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm. De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.
Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest gediend hebben.
Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.
Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had, zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven waren Pericles en Phidias geweest.
De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.
In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.
Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.
Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten. Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.
Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was Aspasia, maar verheven tot eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste beeldhouwersziel.
Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke wijze:
„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone Aspasia.”
Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem opgewekt was geworden.
Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren. Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden. Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel te verwezenlijken.
De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen, dat hij zijn tijd tusschen die Pallas en haar levend model verdeelde. Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te ontmoeten.
Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende, zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in een labyrinth van straten, scheen hij een labyrinth van gevoelens te doorkruisen, waar hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats terugbracht.
Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras, zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.
En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was, des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.
Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid? Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling, welke Socrates met Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en Aspasia gehouden had.
Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd, vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.
Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was en niet het volk de onderwijzer van den dichter.
Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den toon, dien hij aansloeg, met haar over de vrouwen te spreken.
Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit, dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.
Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem naar zijne nieuwe gade.
„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig, „maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”
„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en beminnelijk is.”—
„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—
„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg Aspasia.
„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te staan en op straat te gluren.”
„Is dat alles?” vroeg Aspasia.
„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is vol veinzerij, zij is valsch, zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig, zij is dwaas, zij is sluw, zij is babbelziek, zij is jaloersch, zij is ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is zielloos...”
„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit alles afzonderlijk te bewijzen.”
„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.
„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”
„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juist het tegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit middel bestaat hierin, dat men haar verwaarloost. Wee den man, die zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder en verliefd, dan zou hij haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij veracht en in een jaar dood gekweld.”
Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken wrevelen ernst en nadruk:
„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden spint—zwarte of gouden.”
Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.
„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo afhankelijk is van de vrouw.”
„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld, eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”
„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia, „als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het grootsche verleent?”
„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven zwakheid.”
„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden triomfeeren!” zeide Aspasia.
„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar te gemoet. „De dag der wrake komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht, de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is niet goed...”
Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het en zeide:
„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”
„Tot Aspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar niet van Aspasia. Ik spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn geen Aspasia’s...”
Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’ gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen, dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.
En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide: