Part 32
Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.
Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene menschelijke wijsheid ooit zal oplossen....
Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne rechten met elkander in strijd....
Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.
Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij verspreidde licht en glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.
De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden aanvoerder der Muzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo lang was geweigerd.
De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde, begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks, niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel. Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.
Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der schoonheid herscheppen.
Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare sieradiën, in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest? Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring, verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood, het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.
De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat, bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft, evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben, is benijdenswaard.
Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—
Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene [317], zoete sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde, waarmede men een kind liefheeft.
Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems, schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen, in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze bronnen weten te scheppen en te putten!
Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las, of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei telkens afwisselde...
De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.
Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.
Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.
Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen, waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide [318], gene met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares, weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.
Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende, dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men veel leeren kon.
Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook gelukt was de gade van een koning te worden.
Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf. Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles koesterde en jegens den jongen Alcibiades.
Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet van Paralus en Xanthippus hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.
Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?
Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van Pericles behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon, bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig karakter.
Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet. Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap, die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden. Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne spotternijen en overmoedige scherts.
Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om later dubbel gelukkig elkander weder te vinden.
Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche, onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het, dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht: hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder talrijk maakten....
Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.
Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.
Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier, om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.
Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:
„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij de schoone natuur ter schole wil gaan?”
„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”
„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen, om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen, naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”
„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel haar eigen meester is.”
„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar eigen meester is?” vroeg Pericles.
„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”
„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de blikken van een ander prijs te geven?”
„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”
„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is, moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen onteert.”
„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist. De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de eerbaarheid niet de voornaamste reden is en dat niet elke ontsluiering op zich zelve onzedig is.”
Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.
De beide mannen waren Protagoras en Socrates.
„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting, „dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis betreden?”
„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander van verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden, omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te zamen het huis binnen te treden.”
Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel het hunne konden bijdragen.
Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was, maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te zetten.
„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het dan ook in onze eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”
„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid, volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver mogelijk, overlevert.”
„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag bezitten?”
„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras. „Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de kunst, op een aard en wijze en onder omstandigheden plaats grijpen, die het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”
„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.
„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden, doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks, als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs geven...”
„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw, wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was, alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt, om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen. Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen [319]? Als ik mij goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet rustte, tot hij bezat wat hem zoozeer had verrukt.”—