Aspasia

Part 31

Chapter 313,925 wordsPublic domain

„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen, integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het volkomen wezen der Charis uit te drukken...

„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het marmer bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter, o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken; want ik lees het in uw blik!”

„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.

„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het gemoed en het leven der Atheners!”

„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam, gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken, waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en scheppingskracht!

„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het, naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws en schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der schoonheid!—

„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort: „het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert. Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke leven. Hier, evenals daar, is de drijvende geest, gemoed en gedachte dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op gelijke wijze openbaren!”

Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven, greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:

„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging, die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal, naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”

Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.

Ook de Erechtheüs-priester vernam die woorden in het schemerlicht, achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in zijn oog en viel op de Milesische.

In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen en prezen de voornemens van het edele paar.

Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed, wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.

Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:

„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe zijner Chariten is gesloten?”

„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus, „dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”

XV.

UILEN OP DE ACROPOLIS.

Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der Euminiden [315] meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft plaats gehad, dan is het niet te verwonderen, dat bij het noemen van den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren tinnen van het Parthenon.

Doch er waren ook uilen op de Acropolis....

Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen naar Athene zenden” [316] de beteekenis kon krijgen van een overbodigen arbeid.

En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets zelfstandigs te zijn en meer dan het licht, dat uit hem geboren wordt, en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.

Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van het licht geworden zijn.

Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen, muizen en slangen.

Zij zijn daarom de lievelingsvogels van den Erechtheüs-priester Diopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich tevens eenigszins zonderling beweegt.

Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare stem uit.

En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getal der trappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:

„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”

„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.

„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben: wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel, zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt; opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”

Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle inlichtingen, die hij kon geven.

„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in vredestijd.”

„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.

„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder grootsch dan het Parthenon zelf—”

„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het heiligdom van Erechtheüs vervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van Phidias.”

„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners, zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne oppermacht zich staande houdt?”

„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien de Atheners den tijd laten hen zelven te gronde te richten.”

„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”

„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet. Ja, gij zijt een Lacedaemoniër en als gij zegt, dat gij den Atheners alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”

Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta den Erechtheüs-priester de hand.

„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm, onverzoende wraakgeesten zweven.”

Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan deze zich verhief.

„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene diepe, donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij, nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid, nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen, behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten, zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—

„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der volksheerschappij.”

„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij. Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over, dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”

Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den grond voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning met Lacedaemon ten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”

Zoo sprak de Erechtheüs-priester en verdween weldra met de man uit Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.

Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen geleid.

Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had durven hopen.

Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den Archon Basileus kunnen wezen!”

Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was, kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem opdeed.

„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die strengheid, van die deftige waardigheid, die een ernstig man, met het priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou vinden, wat zij in mijn huis miste.”

De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade binnen te leiden.

Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen huwen.

Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot huis verjaagd....

Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht! Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja, waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven, niet der moeder. Door den dwazen trots der vrouw heen voelde zij altijd door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.

En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed daarmede vergoten werd.