Part 30
De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten heenspoedend met de blijde boodschap Nike [308] en Iris [309], haar tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land, bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende godheden: de onstuimige Poseidon, die zooeven met den drietand de heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld, dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen, die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen [310] het overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone, Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte, dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”
Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste overheidspersonen van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en de Archon Basileus.
Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan het volk der Atheners.
Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin. Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:
„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen, waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld, een Pallas Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen, losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren. Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude, heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen, zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven had opgericht.”
Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de stoet der jonkvrouwen de trappen en ging door de geopende poorten van het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden, onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij, die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.
Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken gericht.
Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren, door de Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der Godin hing het Aegispantser [311] met het versteenend Gorgonenhoofd. Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de strijd tegen de wilde Amazonen [312], op den binnenkant de trotsche Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal strijd tegen de woeste, donkere machten.
Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang. Eene groote, vierkante opening was er in het midden van het platte dak, dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en schaduw, nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.
Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias, Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel eene prachtig gevormde amphora [313] ten deel, waarop in schitterende kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de overige agonen; hun echter, die in de musische [314] wedstrijden de zege hadden behaald, werden gouden kransen toegekend.
Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het Atheensche volk.
Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde waren gekomen.
Onder hen ook een Spartaan.
Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem toeduwde:
„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”
Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om den Spartaan drong en de Atheensche jongeling de schampere woorden herhaalde, trok alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te verlaten.
Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde, onheilspellend in het zwerk...
Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch, dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester van Erechtheüs.
Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend. Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun priester met hen...
Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus, Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende Atheensche mannen, die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne banier hadden geschreven:
„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”
Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden, bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het voltooide werk in oogenschouw te nemen.
Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders; een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.
Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.
Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen bezielde.
Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars beschouwen.
Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de mannen, en hij sprak eindelijk met den hem eigen ernstigen glimlach, zich tot Aspasia wendend:
„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het, dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”
Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.
„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij, mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel, groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen, in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet den toorn der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort, het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros, hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”
„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te vervaardigen.”
„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene Promachos en van deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de „vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu overig dan de vrouw?”
„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”
„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,” vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid, en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk: „alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten veroveren!”
Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken, die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.
Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het werk van den peinzenden zoon van Sophroniscus, naar de groep der Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had vervaardigd.
Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en gestreng de andere, peinzend de derde.
Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat: