Part 29
Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.
Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.
Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de verschijning van den God.
En Diopithes?
Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—
Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel, was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden te zien en te begroeten.
Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op de golven kwamen aandrijven.
Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de vergulde Pallasbeelden en de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden getooid, met de sieradiën van vernielde vijandelijke schepen en andere tropaeën rijkelijk omhangen.
Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in ’t oor.
De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen overlaadden.
Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn, met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken gastronoom in den Piraeüs wachtte.
Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de stad gevoerd werd.
Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de zee, de kusten en de stad.
Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den Acropolis.
Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden. Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.
En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athene staat, doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.
XIV.
DE PANATHENAEËN.
Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert, wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen, dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt, waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen ontmoeten.
En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.
Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook hem eene heimelijk mokkende gade.
De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer vriendin had Telesippe het vernomen.
De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden echtgenoot te wreken, zooals Clytaemnestra [299] op den terugkeerenden Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed [300] hem in het verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan. Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar haat en kleingeestig ook haar wraak.
Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen? Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van Telesippe verdragen.
En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na zijn terugkeer ontmoette:
„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—
Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten, haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?
Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.
De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude worden, waren teruggekeerd.
De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit geheel Griekenland kwamen de gasten.
Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.
Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners, Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe, die den knaap haatte, omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.
Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar, terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in de hippische [301] kunst, staande op den met vurige rossen bespannen wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht te komen!
En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus denken en aan het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk, dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.
Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus [302], Prometheus en Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het volk tot spoed gedreven.
De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele vormen te toonen.
Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.
Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde, behoorde ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.
Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in het Erechtheüm gebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk der Ceramicus in orde geschaard.
De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echter een even levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag. Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen, aan beelden van kracht en welgemaaktheid.
Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen, bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen, sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen, die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen. Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers, offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen, deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.
Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen, in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk, droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden. Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig, bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde, ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.
Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans: prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde oogverblindend in de stralen der zon.
Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.
Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden steden en eilanden gebracht werden.
Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien van Erechtheüs en Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën, herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier [303]. Het aandeel door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten [304] genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel voorgesteld, die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.
Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens, met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone, eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten, donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen [305] aangevoerd, marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen [306] in schitterende wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden aan het hoofd; het volk naar gemeenten [307] ingedeeld, mannen en vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers de vreemdelingen, die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning, klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden neer laten.
Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid, overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste deel van de geheele feestviering uitmaakten.
Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.
Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door offers of door het aanheffen van een paeän.
Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben. Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met hunne moedige paarden toch in den trein bleven, terwijl zij zich zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als voor raderen, verminderd was.
Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de oostzijde van het Parthenon.
Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos, ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.
De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of heldere kleurenpracht.
Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten bevolkten, stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.
Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden. Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend leven in zinrijke vorm afgebeeld.