Aspasia

Part 28

Chapter 283,824 wordsPublic domain

„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond aangeroerd was.

Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”

„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner groote talenten laten zal.”

Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers op Chios.

Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden. Ieder wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen. Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen, ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te dienen, heerschte zij toch...

Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf verkoopen wilde.

„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen verklaar ik hem vrij!”—

Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.

Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het einde ernstig en nadenkend geworden.

„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen, „mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”

„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”

„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te vernederen.”

„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.

Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.

Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.

„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de Attische lucht noodig hebt.”

„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond van Sophocles gehoord heb:

„Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea, Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid, Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren, Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee, Neemt in genade mij op en voert mij over het zilte Zeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”

De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een zalig genot. Wat zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren, scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende lichamen in de golven te begraven.

Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren. Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden brug over de zee.

Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.

Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.

„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia: „Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische [295] dochters van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”

De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.

Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd, de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de dochters van Nereus op, rijdend op zeemonsters, en Tritons, die schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als een zeil boven zich heen golven.

Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus [296], die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had gevonden, door de Maenaden [297] in de zee geworpen en door den vloed verder gestuwd was over de Aegaeïsche zee en welker tonen de zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden, die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.

Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zee verlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware gekust door de stralen van den God, aan wien het geheiligd was. Niet zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.

Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen; eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het zilte sop te doorklieven.

De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.

Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de diepten der zee Attica’s gewijde kust.

Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige zuilen eene lichtende stip is voor den zeevaarder.

In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke, zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud. Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt. Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon, de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.

Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen, schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der ondergaande zon.

Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte, maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—

En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het Parthenon!”——

Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de hoogte van de Acropolis waren gericht, greep juist daar, in het eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon, eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.

Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos [298] ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve, in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs, onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te brengen.

Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig reeds aan den schoonen Alcibiades te verloven. Inderdaad was Hipparete het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en waardigs ten toon spreidde.

Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van het Erechtheüm.

Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide, dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.

„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.

De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt geworden. Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de omgeving van zijn tegenstander voorviel.

De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.

Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres in tegenwoordigheid van den Erechtheüs-priester, benevens diegenen, die gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst, in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg begaven, gaf de Erechtheüs-priester haar nauwkeurige aanwijzingen over hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen. Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht niet stipt verrichtten, hadden zij den toorn van den God te duchten. In elk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te wachten.

De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af, waarin vele trappen gehouwen waren. Angstig zag Lysiske om zich heen, Hipparete sprak haar moed in.

Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken verborgen mocht zijn.

„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”

„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.

„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor en droog is het op den bergtop.”

„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”

„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut en ons zegent op dezen tocht.”

De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die, vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam brandde.

Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had, legden de beide meisjes hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande, eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.

Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot; daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold liggen, met den kop half opgeheven.

Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen, zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.

„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”

Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd. Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine knoppen zijn gebroken.

„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij nooit gehoord van Alcmene en Semele, van Danaë?”

De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd van het meisje streelde.

„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”

Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte; maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.

Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:

„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel kleiner van gestalte...”

Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat daaronder de zegen aanbrengende God Erechtheüs zich verborg. Zij had die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere vreezen?

De God echter aan hare zijde ontstelde. De valsche Erechtheüs begon te sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij onder de hoede stond van den God Erechtheüs; de God zelf echter sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden aardworm...

Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De vloot van Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de Olympiër”.