Part 27
Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van het vaste gevoel, dat zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs [289] uit de aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen.
„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in Milete gesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij voer?”
„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen; slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de schoone vrijheid van alle knellende banden.”—
Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit.
„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de hetaere van Milete.”—
Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek van den Athener als eene gevangenis?”
„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.”
„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?”
„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de echtgenoote van een Athener.”
Pericles was getroffen.
„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden is, die uwe goedkeuring wegdraagt?”
„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.”
„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt te verwezenlijken?” vroeg Pericles.
„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.”
„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te verwezenlijken?”
„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe aan de geliefde hebt gegund.”
„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk. Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?”
„Boven alles het recht om tusschen mij en u geene andere wet te erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.”
„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken kan?”
„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia.
„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,” zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde zelve?”
„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te spreken.—
De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene triëre, om naar Chios te zeilen.
„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den dichter Ion op Chios leeft?”
Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte.
Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip van Pericles terug te zien.
Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens geheim slechts aan weinige ingewijden bekend was.
Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen. Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed op zijn vaderland uit.
Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg zou staan.
Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen.
Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld, zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven.
Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun Chiïschen gastheer.
Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf, naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in zijne nabijheid te blijven.
De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te leeren kennen.
Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de koesterende zon.
Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden gegund werd.
Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hij hen zich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren bekers.
Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene trotsche, volle roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste, niet de schoonste der bloemen.
Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met ongeveinsde hartelijkheid.
Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles.
Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam.
„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn, als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft, weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs, die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot de soldaten heb hooren zeggen, dat, als het van hem afhing, zij eeuwig zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer, zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus, een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof, maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”
Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:
„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te betalen, omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden [290] der zee onthouden, dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een prachtigen paeän op Asclepius [291] gedicht, die op de geheele vloot gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen, naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”
Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend, elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone terras van Ion.
„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof, dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”
„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet vergeten.”—
„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.
„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”
„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles, „hoe opgeruimd en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek, overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en dergelijke akeligheden meer...”
„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles, „verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij, niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke gevoelens misdreven hebben.”
„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—
„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben opgelost.”
„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes, voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage meldt, dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen [292] vloed zich hebben neergestort.”—
Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der ondergaande zon zich afspiegelde.
Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en met kennelijke vreugde liet welgevallen.
„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.
„En welke is die?” vroeg Pericles.
„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere beschouwing overwaard zijn.”
De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:
„Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”
„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus [293]? Hoe bevallen u die purperwangen?”
„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt purper geverfd, leelijk zou zijn.”—
„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos [294] bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”
„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan wasschen.”
„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.
Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden. Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat Chrysilla’s blikken die van Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten. Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.
Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden. Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven werd hij door Sophocles krachtig geholpen.
Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.
Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:
„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”
Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen. Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende: