Aspasia

Part 26

Chapter 263,631 wordsPublic domain

„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn. Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen, dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.”

Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet omzoomd en door gele halcyonen [281] bevolkt. Zij voeren langs de schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en kostelijke gaven van elke soort aan te bieden.

Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd verstoord.

Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was niet alleen de begeerte om Pericles eer te bewijzen, maar ook de overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te kruiden.

En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd.

Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich omdroegen. Over datgene, wat zij bezielden, schiepen, volbrachten, mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te verwezenlijken, scheen in die Halcyonische [282] dagen van Milete beiden zelven als het beste deel hunner bestemming...

Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis, door de toppen van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen, die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden, en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven, vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen, hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen.

Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking, gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne [283], en op verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon had gespreid.

Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk beloofden en hem aanrieden:

„Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans mij doet! „Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!”

„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia.

„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de Milesische.

„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles.

„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?” vroeg Aspasia.

„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles.

„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in uw huis pleegt te noemen.”

„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze, „zijn wellicht alleen Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.”

De Milesische antwoordde met een glimlach.

Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in de ziel van Pericles overdacht te worden.

Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s afwezigheid, over haar sprak.

„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug. Den vromen Aeneas wist de minnende Dido [284] te veroveren, zelfs den sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale [285] een tijdlang aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.”

„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen, waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren, waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is in weerwil van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen: die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid, vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet, hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.”

„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te vullen.”

„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene op, wat aan het zoetste duurzame waarde schenkt.”

De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn innerlijk geluk had kunnen wijden.

De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam.

Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus:

„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij, Grieken van deze kust, nabij de vurige Phoeniciërs woont, die het eerst de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden, van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot. Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs, zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der Corybanten had gadegeslagen.”

Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag.

„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb, verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden waren.”

Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij:

„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te verlangen. Welnu, luister:

„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag er uit, alsof hij door een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling, ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling voor elk gevaar beveiligd zijn.

„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou bestijgen.

„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden.

„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn van haar dolle waanzin.

„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea, moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij, maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend geraas van zwaarden en muziekinstrumenten.

„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen zagen wij met slangen, die zij opgeraapt hadden, in de handen en speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren.

„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de razenden opmerkte, onbewust na te doen.

„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren, strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil, doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten.

„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven [286], als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken en cymbalen [287] en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld voor hunne oogen werd ten toon gesteld.

„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de wildste onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning. Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo verzwolg hem de dolle schaar.

„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos.

„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw.

„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig verstaanbaars tot mijn oor doordrong.

„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond.

„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het tympanon [288] klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder, die in de verte ratelt.

„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden verloren zoon mocht kunnen terugvinden.

„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend.

„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles voortbrengende Godin...”

Zoo luidde het verhaal van Artemidorus.

De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen.

Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond, zeide hij:

„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken, niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!”

XIII.

DIOPITHES EN HIPPARETE.