Aspasia

Part 25

Chapter 253,711 wordsPublic domain

„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en houden mij voor eene lichte en zekere prooi.

„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber, knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van den treurspeldichter het trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe. Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt, voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk een mannelijk besluit van den dichter?”—

Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia:

„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne hardnekkigheid doen boeten.

„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht nog bij ons Atheensch volk te doen valt.

„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat, of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren te brengen.

„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.”

Zóó schreef Pericles.

Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad hardnekkigen weerstand en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar Aspasia gezonden.

Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische vriendin:

„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de muren.

„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren. Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te regelen zijn.

„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken elkander wederzien.

„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen, van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd, na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt.

„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!”

Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos na.

Daarop nam zij een stout besluit.

Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust.

XII.

UREN VAN ZALIGHEID.

Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar Milete gemaakt.

De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus. Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota.

Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden.

De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos.

Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door orgiastische [268] woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus, die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken haardos door eene lydische mitra [269] getooid, in veelkleurig, wijd gewaad, als Klein-Azië’s echte zoon zich betoonde.

En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke, prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers en Corinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke, weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van Syrische zalven.

Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger, Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte, bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde.

In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten. Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis rijkelijk versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen.

„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,” zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.”

Pericles glimlachte.

„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen, Thales [270], Herodotus [271] en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen, ook den grooten Homerus [272] hebben geschonken.”

„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de weelderigheid van het rozenleger der vreugde?”

„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterender ontwikkelt, dan juist daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.”

Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed harer donkere oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden.

Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden, Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan, om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren.

De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als Hebe’s [273] en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de Cybele-feesten [274] gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de zinnen meester maakten.

Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen [275] op rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd met de Tritons [276] hare zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van gedaante wisselende grijsaard Proteus [277] ontbrak daar niet, die allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem en wenschte een orakel van hem te vernemen.

„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.”

Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de volgende orakelspreuk mede:

„Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk! Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij doet! Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.”

Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen en papegaaien zaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch, kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort. Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand vernam. Tegelijk drong een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen, tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen. En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld, verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten.

Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan.

Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd, de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en dichter met rozenkransen te omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween. Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor, dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was.

Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide, terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten.

Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den vreemdeling, om haar te bevrijden.

Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende oogen van Aspasia schitterden hem tegen...

Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid.

Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide met hare zacht betooverende, zilveren stem:

„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat ik nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben overgeleverd.”

„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit er bij te voegen, de Godin der verrassingen.”

„Is er wel een geluk denkbaar zonder verrassingen?” vroeg Aspasia.

Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen.

Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen die zij gevlochten hadden, eveneens omstrengelen en ketenen.

„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat, weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven. Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke Corinthische met hare vurige oogen!”

Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid, vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën [278] voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween. De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen de nachtegalen en geurden de rozen.

En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt had bij de Corinthische met hare vurige oogen.

Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding, na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder ongehinderd opwaarts.

Toen op den morgen na dien nacht Pericles en Aspasia hand in hand uit het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden, geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten verkoeld.

Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest harer bewoners.

„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd, toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus [279]. Deze tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen voor het machtige, bloeiende Athene.”

„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht gebroken, maar de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze kusten houdt uitgestrekt.”

„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?”

Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam:

„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.”

„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats, die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche [280]?”

„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese” onder deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten mag.”