Part 24
„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond, die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste heeft toen geboren te zijn geworden.
„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal kosten.”
Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege:
„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den Atheners reden gegeven tot groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde; alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord. Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie.
„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates pleegt te zeggen, goed bouwen.
„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad, dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had, heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in beweging gebracht.
„Zegepralend wijst de onverzoenlijke Erechtheüs-priester op zijne vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst; hetgeen de Goden mogen verhoeden!
„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen opdwarrelen, die den priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van zijn tempel de wijk te nemen.
„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven, steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een, dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt, daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten.
„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia. Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te snellen, als gij het wilt.”—
Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen:
„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving van het zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen.
„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische vloot te verbreken.
„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen.
„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het daarachter staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte rijen naderde.
„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx [258] onze voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische.
„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen [259] slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen [260] lange balken met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast verpletterden of het verdek verbrijzelden en als met ijzeren klauwen het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden, voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning met bijlen zijne riemen vernielde.
„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de Atheensche over te brengen.
„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen?
„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken, dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten, doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten.
„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke schepen in den grond te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden. Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben, benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen” [261] voortreffelijke diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig als dorre takken deed breken.
„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd, wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om het overschot der weerbarstige Samische vloot te verbranden, toen plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel. Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde. Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander vaartuig, de „Pharthenos” [262], en terwijl het Samische admiraalschip mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als krijgsgevangene, naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër, zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons.
Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber, Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen, dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was, maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en het waarachtig eeuwige, één en oneindig, alles in zich omvatte; want als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den geest.—
„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen, die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield, te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen strijd aangenomen.
„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!”
„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog van den Samiër.
„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en hen goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?”
„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik waardeerde het.
„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen, die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid. Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte, waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven, licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige eenheid van het Zijn.
„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert. Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder mij daarvoor te schamen.
„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia [263] een altaar op de Acropolis op te richten.
„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich daarvan toeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.”
Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem, die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te gemoet was getrokken.
Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus:
„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het leger juist bezig aan Zeus, den Redder [264] een offer te brengen. In den kring, die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden, moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was, dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren, af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil [265] in te branden.
„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde met stormrammen en werpgeschut.
„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den jongen Alcibiades”—
Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze:
„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte, zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn woorden en hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van Sappho bij de klank der snaren zing.
„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring, elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef het hen: want ook zij arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst.
„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven, komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit de held van den dag is.
„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon [266] en afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar dragen, het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.” [267]