Aspasia

Part 23

Chapter 233,923 wordsPublic domain

In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk gesprek verdiept.

„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde, dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de liefde voor de schoone Aspasia...”

„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden, die mij omstrengelden.”

„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt, slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde gebracht, rekent gij dat dan voor niets?”

„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der eerzucht, dat rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?”

„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de dichter na eene kleine pauze.

„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en sloeg een scherpen blik op zijn vriend.

Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg moest verkozen worden—”

„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen, welke de gewichtigste is?”—

„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos nemen?” vroeg de dichter.

Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen, een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te denken. Samos [251] is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal; Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische [252] school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen, den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust woont.”

„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone Chrysilla zijt geweest.”

„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den tragischen wedstrijd geweest zijt.”

„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de schoone Chrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap houdt.”

„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles.

De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten.

Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen, welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest als triërarchen hunne schepen te leveren en ze uit te rusten.

Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groen Cephissus-dal zag hij zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en Munichia, in het rumoer van den Piraeüs, waar de vreeselijke zeedraken der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om te onderzoeken, welk schip het beste en snelste zeilde.

Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen, vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers zette naar Samos.—

Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia.

De brief luidde als volgt:

„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij voelde. Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren? Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende, aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het rustige Athene naar het woelige oorlogsveld.

„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld.

„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid. Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren.

„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen, die zeker te Athene op aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op dit oogenblik van het vuur van Ares [253]. Ik heb hem naar Chios en Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere versterkingen zijn in aantocht.

„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.”

Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische beantwoordde dien in dier voege:

„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen, dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees, dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe langer ze duurt en ten laatste, evenals Agamemnon vóór Troje, in steeds toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen.

„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd, daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien.

„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop, dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet gij weten, dat hij juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.”

„Een roemrijk voorteeken,” zei ik.

„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.”

„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden.

„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen voor een vrouwenhater houdt?”

„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord.

„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?”

„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.”

„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken.

„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand, die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.”

„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en welks stilte alleen door de welluidende trimeters [254] van haar dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren.

„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje:

„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote Themistocles [255] mij gaarne hoorde vertellen.”

„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten, weggejaagd had.

„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek gedoopte vuurpijlen van den Areopagus naar de Acropolis slingerden, tot alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde priester van den Erechtheüs-tempel op den burg, die verkondigde, dat er een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op zee, op de schepen der vloot van Themistocles.

„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte vluchtelingen niet konden dragen.

„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters, zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip tot schip den geheelen nacht door het geroep der zeelieden, zoodat zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden [256] van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der fakkels en de geheele Euripus [257] wemelde en de groote vloot der Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron aanzeilen.

„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen, die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk het in gedempte tonen tot mijne legerstede door.

„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen, kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had kunnen wezen.

„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte, pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met het kind naar de zee en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was.

„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd. Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak vernam zei hij:

„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het vaderland gevallen zijn!”

„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.”

„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het hier voor u neergeschreven heb.”—

Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was, kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus:

„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den aanval.

„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen: maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons beiden gehaat zijn.

„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw moedertje heeft hem groot genoegen gedaan.