Part 22
„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit Clazomenae te dezer plaatse, waar zooeven nog onder den klank van vroolijke skoliën [247] het feestelijk genot om het met bloemen bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene, maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der zelfverloochening niet ontbreken. Hij zal de vreugde tot zijne slavin maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen. En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns, handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen. Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig, verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon [248] en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd, ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten:
Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!”
Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden, aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen geest te kunnen regelen.
„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—”
„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.”
„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van nemen...”
„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten, wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’ plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner laatste tegenwerping ten dienste staan.”
„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.”
Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater [249] gemengd en den gasten in andere, grootere bekers geschonken.
„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok. Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog aangenamer.”
„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote Sappho,” riep Protagoras, even met zijne lippen het vocht in de beker proevende.
De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren.
„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze echter niet.”
Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen, allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad.
Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen, toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende in eene bevallige kromming naar achteren de voeten over den rug en het hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’ gasten in eene soort van zwijmel bracht.
Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen, kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia:
„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet, Socrates, is derhalve genomen—”
„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch, zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?”
Glimlachend zei Aspasia:
„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de engte drijft: doch het is mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus, overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene geheele verandering in de plaatsen brengen.”
„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?”
„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates? Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast Socrates zal zetten.”
Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het aanligbed, waarop Socrates aanlag.
Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide Socrates zijne gezellin.
Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening.
„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch, ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het, Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”—
Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij ieder harer bewegingen, antwoordde:
„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen, zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.”
Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo smadelijk de wapens strekte.
„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!”
„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.”
„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.”
Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen rondschenken.
De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap, die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus.
Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest.
Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan.
Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden.
Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken en de grijsaard lag in een rustigen sluimer.
Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten.
„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!”
„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden nederleggen en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid begraven.”
De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het hoofd van den wijze onder bloemen begraven.
Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te kunnen fluisteren.
De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit en zei tot zijn buurman Sophocles:
„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening, „Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En als uw pleegzoon Alcibiades grooter is... mijn dochtertje Hipparete... de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen...
„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach.
Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wien Bacchus zijne macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had, maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel zacht. Hij sprak met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door het aanheffen van een paeän op Dionysus, die toen door allen in koor gezongen werd.
Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd door de bloem van den Helleenschen geest.
Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost in:
„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard, dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede wij verkoelend ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden, ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!”
Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van Oud-Hellas fonkelden!—
En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde.
„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen bevond.
„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet, dat ik wat minder liefheb?”
„Waarom?” vroeg Aspasia.
„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt gij dan over voor Pericles?”
„Mij zelve,” antwoordde Aspasia.
Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de volheid van haar geluk.
„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in idyllische rust doorleven.”
„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of het ander of beide te gelijk ter goeder ure.”
De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar waande en onschendbaar in hare heerschappij aan den huiselijken haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor eeuwig zou planten.
XI.
SAMOS.
„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht, toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx geloopen—”
„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen.
„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,” hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt, veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de Milesiërs Priëne [250] bezitten?”
„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het bond hunne geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de Samiërs ontstoken.”
„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend.
„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan. Leve Sophocles!”
„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven had gedreven. „Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.”
„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera verhandeld heeft.”
„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus, „als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia, de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van de Milesische binnen. Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.”
„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw ambt.”