Part 21
„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid, zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen, dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen. Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen gebracht hebben, in de kunst van goed te eten staan wij nog zeer ten achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te vinden.
„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er een uit Sicilië heb moeten ontbieden.
„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles der kookkunst noemen.
„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever, de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het uithalen van tonijnen [232], alen, muraenen [233] en speenvarkentjes en ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig toebereid en met allerlei vruchten gevuld.
„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen. Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in zich zelven een begrip, in plaats van den patrijs, dien hij op zijn bord heeft.”
Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom.
Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger kon ten toon spreiden.
„Aan den goeden Geest gewijd!” [234] sprak hij en goot eenige droppels ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan. Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen.
Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd [235].
Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten hunne hoofden omwonden, werd de Paëan [236] ter eere van Dionysus aangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden.
„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch [237] kiezen of wel hem door het lot benoemen?”
Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen, naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen.
„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten Pericles.”
Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates. Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook geen symposion kunnen besturen?”
Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, de moeilijke taak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet, wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch eene symposiarche.”
Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft, doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten.
„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.”
„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers gevuld?”
„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus, „Thasische wijn van de beste soort, zooals hij geplengd wordt in het Prytaneüm [238] te Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.”
„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den gelauwerden dichter der Antigone!”
Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers, die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld.
„Thrax” [239], riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen. Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.”
„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming en de harmonie aangeven.”
Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen:
„Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus, Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid, Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden, Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!”
Daarop liet zij de luit aan Socrates geven.
Deze echter zeide:
„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij inderdaad eene Sphinx [240] toe, met een afgrond naast zich, waarin zij ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen onderwijzen.”
Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen gevende, riepen allen:
„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den lust des levens te onderrichten.”
„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van alle dingen bij dit symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft.
„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil; de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch even vroom en den Goden even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus Herkeios [241] heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje [242], en de kegelvormige zuil van Apollo Agyieus [243] den God der straten en daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene Pyanepsiën-feest [244] tot het andere de olijftak, symbool der overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant, die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der aarde. Want in den Tartarus [245] zijn er velen, die om verschillende overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet, dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele! Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische gouden dariken [246] zouden kunnen ontrooven.”
Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde:
„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks toenemen, ik mij wat ongerust maak.”—
„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden hebt.”
Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en zijne rede.
Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den gastronoom:
„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens goed leven? En van het pootje, dat, zooals ik helaas bij ondervinding weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?”
„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over te beslissen of het pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men noemt „het vette der aarde genieten.”
„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt. Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te vinden.”
Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen.
„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten volle gerust gesteld. Nu is het mij helder: hoe had ik, dien zij een vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den grooten Hippocrates!”
„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk wijden ter eere van Hippocrates!”
Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord:
„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode vernomen hebt:
„Des menschen leven past het nooit te roemen, Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen. Want die het meest door rampen werd bezocht, Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op, En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof. Geen ziener die des stervelings einde kent. Doch alles is voorbij. Want als de vreugd Den mensch ontviel, leeft hij geen leven meer, Als een bezielde doode doolt hij rond. Al is zijn huis met schatten opgevuld, Al praalt hij in een vorstelijk gewaad. Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit alles Niet hooger dan de schaduw van den rook!”
„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens, die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te worden, zij der Hellenen trots!”
„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles.
„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”—
„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap.
„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.”
„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal bouwen?”
„Het is best mogelijk,” hernam Pericles.
„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene, wat ik als triërarch zal uitrusten.”
„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest. Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.”
„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat. Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.”
De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras. Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen, wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne woorden kracht en gloed te geven.