Aspasia

Part 20

Chapter 203,759 wordsPublic domain

Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden:

„God der liefde, nooit bedwongen, Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed, Waar uw pijl is ingedrongen, Voor uw almacht buigen doet!”

Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards:

„Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zon Ontrukt, in ’t koperen gewelf gesloten, Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.—

Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus, aan:

„Lievling der Thebaansche maagd Zoon van Zeus, wiens donderslagen Raatlend door het luchtruim jagen; Kom, terwijl we in blijden zin ’t Feestlied door uw stad doen schallen, Zegenbrengend Theben in!”

Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades.

En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt haar moederhart.

Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der koningin, die zich als offer wil geven aan den dood.

Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven slotaccoord.

Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó menschelijk was het verhevene, zóó verheven was het menschelijke door niemand ooit uitgesproken.

Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke gezangen, zoo rijk en beteekenisvol over de toehoorders uitgestort; zoo harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden.

Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen. Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den zegekrans te ontvangen.

Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen, onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen.

Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd. Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand.

Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze.

De inhoud was als volgt:

„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.”

Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten.

Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner vrienden en snelde hem te gemoet.

Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar eveneens van harte geluk.

„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij, maar als kunstrechter.”

Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde, van zich zettende, sprak Pericles:

„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven? Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.”

Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles:

„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen weergeven?”

„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de eerste maal, sedert Thespis [228] zijn kar in beweging bracht, heeft heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken. Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor alle volgende tijden bewaard blijven.”

„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede oude zeden te trotseeren?”

„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen.

Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte. Daarop sprak hij:

„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van haar geslacht?”

Pericles was getroffen.

„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en Pericles stond tegenover Aspasia.

Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte.

Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging, las Aspasia duidelijk op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren blik zijner oogen.

En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid beantwoordende, sprak zij:

„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid begaan.”

„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede, „want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.”

„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia, „en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit uw gemoed, o Pericles!”

Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de zijnen te vieren.

De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort.

Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia.

Maar ook voor hem zelve niet.

„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is misschien niet goed een langen tijd onafgebroken zich aan één vrouw over te geven.”

De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras.

Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte. Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben?

Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin.

Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf, dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen. Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame schreden en vervolgde zijn weg.—

De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den heerlijken reizang uit de Antigone:

„God der liefde, nooit bedwongen, Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed, Waar uw pijl is ingedrongen, Voor uw almacht buigen doet!”

Pericles in ’t oor.

Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte avondkoelte.

Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel.

Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van den Dionysus-schouwburg zich verhieven in de diepte, aan den anderen de rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard.

Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven scheen er te zweven over zijn hoofd.

X.

DE KONINGIN VAN HET FEEST.

Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen, dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet ontbreken.

Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te zullen komen.

Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den Atheenschen roem vereenigd.

Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien. Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame vogels, zijne hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel te vereenigen.”

Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp zijner hulde was.

Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb hem een paar maal in de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog tijd genoeg, om daarover te spreken.”

Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes, broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een met bloemen bekranst altaar, waarop eene vlam brandde, die de welriekendste geuren verspreidde.

Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne doeken afgedroogd.

De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras [229] naast den geneesheer Hippocrates [230].

De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland van dag tot dag. Hij was een geboren Abderiet [231] derhalve een Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen, om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning, ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner welsprekendheid.

Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles.

Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen. Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem gelijk, het liefst de hoogst uitstekende punten trof. Hij had immers in zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren.

Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elk aanligbed eene kleine tafel geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en het maal begon.

Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen.