Part 2
Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het wezen van den beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van rol verwisseld te hebben. Evenals toch deze op den weg van de stad naar de haven met opgewekten zin en vurigen blik naar een doel in de verte gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend, bijna onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op den terugweg de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik onafgewend zich naar de Acropolis gericht, terwijl zijn metgezel bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het was de aanblik zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem eigenaardig opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen gekomen: het gewemel van de haven, het geschreeuw van kijvende makelaars, de geweldige, maar in hare groote eentoonige zuilengaanderijen, welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de door den nevelachtigen adem van het „onzekere” omhulden gouden schat: dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd. Hij moest het zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van onverwezenlijkte, ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel vervuld was. Thans, nu de Acropolis voor hem opdoemde, scheen hij veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en als ’t ware metend zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen wilde vragen.
„Vader!” zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder wiens geleide het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep met de donkere oogen onafgewend naar de Acropolis ziende: „Hebben de Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin Pallas op hun burg, of woont zij ook bij andere menschen?”
„Ook de Rhodiërs,” antwoordde de man het knaapje, „wilden haar bij zich op hun burg hebben, maar hun gelukte het echter niet.”
„Is Pallas Athene op hen vertoornd?” vroeg het knaapje verder.
„De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de bescherming van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest gereed op hun burg, om de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs waren achteloos; zij beklommen hun burg, doch toen zij het offer wilden brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij geen betamelijk, maar een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom gaf Pallas Athene den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden aan bij Zeus en om hen schadeloos te stellen, goot hij van den hemel een gouden regen naar beneden, die hunne straten en huizen vulde. Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, en plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.”
Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide mannen, die achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich na een oogenblik stilzwijgens tot zijn metgezel met deze woorden:
„Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij weldra zullen doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus op den burg te plaatsen?”
„Vrees niets!” hernam Pericles lachend. „Zoo lang de zee het Attische strand bespoelt, zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken op de Acropolis der Atheners!”
„Maar onder de puinhoopen der tempels,” hernam Phidias. „Half woest ligt nog steeds de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der Perzen heeft gelaten. Laat toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen en bouw daarmede uwe havendammen en lange muren verder: want wat de Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in den Piraeus weder op!”
Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar hij het geluid der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende Pericles; deze beantwoordde vriendelijk zijn groet, want hij kende hem sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest, toen gene nog in Syracuse leefde.
„Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,” zeide hij tot den man, „heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven mij heftig aan te vallen.”
„Hoe zoo?” vroeg Cephalus.
„Wij komen uit den Piraeus,” vervolgde de Olympiër, „en reeds daar was onze vriend, de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte luim. Hij zou wel altijd onder godengestalten willen verkeeren. Hij haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen, de balen koopwaren, de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal, wanneer hij door de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude Atheensche stad weder binnengetreden is, met een verlicht hart zich het stof van den weg naar de haven van zijne voeten afschudden.
„Maar zeg toch,” ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend, voort, „wat staart gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte der Acropolis? Is het het gezicht van uwe Godin, dat u bezielt—van uwe gehelmde, lansslingerende Promachos?”
„Weet,” hernam Phidias, „de gehelmde, lansslingerende Promachos is sedert geruimen tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene des vredes; door eene Pallas, die niet meer kampt met kletterend metaal, maar rustig en toch zegevierend met haar blinkend Gorgonenschild [22] de geboorten van den nacht versteent. Wanneer ik nu mijn blik op de hoogte van de Acropolis richt, zoo weet, dat ik daar dit beeld, in mijn geest gerijpt, plaats en dat ik een heerlijk, schitterend feestelijk huis daarover welf; dat ik den gevel en den fries van dat huis met honderdvoudig beeldwerk tooi en dat ik zelfs van verre schitterende, prachtige portalen bouw, van den kant, waar de feestelijke optocht der Panathenaeën [23] henen trekt. Maar vrees niet, dat ik goud en elpenbeen voor die Pallas Athene des Vredes, en marmer voor dat heiligdom van u zal afsmeeken—neen—ik bouw en versier zoo maar in gedachten—maak u niet ongerust!”
„Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,” zei Pericles, bijna gekrenkt door den spottenden toon van zijn vriend. „Gij weet niet, dat het schoone slechts de bloesem is van het nuttige. Gij vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen moet gebaseerd zijn en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige staten ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren lang aan koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur gebouwd heb, in plaats van den tempel van de Acropolis weder op te richten, en omdat ik het niet geheel alleen aan de heerschende lans zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen vijand, die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.”
Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op Pericles. Deze echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een verzoenenden glimlach en ging voort, terwijl hij de hand van zijn vriend greep: „Kent gij mij zóó weinig, dat gij mij in ernst voor een vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt houden? Ben ik niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?”
„Ik weet het,” zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende. „Ik weet het, gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen der schoone Chrysilla....”
„Niet dat alleen,” viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen toon:
„Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en nevens die van den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij hindert, menige tegenspraak mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de vergadering der Atheners terugkeer, bijna verstoord door de straten wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door schoone evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen geest ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te brengen, en ik herinner mij niet, dat ik ooit eene smart heb ondervonden, die niet door het voorlezen van een gezang uit Homerus ten minste gelenigd is geworden.”
De vrienden waren thans door de poort de stad binnen getreden. Hier schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in den Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond.
Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij tot Pericles en Cephalus: „Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog even binnen te komen, dan zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne werkplaats door uwe uitspraak kunnen beslissen.”
„Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,” hernam Pericles.
„Gij herinnert u toch,” vervolgde Phidias, „het marmerblok, ’t welk het Perzische leger over zee met zich mede voerde, om, na onze onderwerping, een Perzisch zegeteeken, uit Perzisch marmer gehouwen, in Hellas op te richten, en dat, toen de barbaren verslagen waren, op het slagveld van Marathon [24] in onze handen viel. Na menige omzwerving kwam het kostbare blok in mijne werkplaats terecht, en, zooals u bekend is, Pericles, wenschten de Atheners, dat daaruit een beeld van de Cyprische Godin [25] gebeiteld werd, om de Tuinen daarmede te versieren. Geen mijner leerlingen hield ik er beter voor geschikt, dat Agoracritus van Paros [26], om door de voltooiing van zulk een beeld zich roem te verwerven, en zoo vertrouwde ik hem, op zijn verlangen, het marmerblok toe, waaruit hij nu een voortreffelijk werk vervaardigd heeft. Maar, een ander van mijne beste leerlingen, de eergierige Alcamenes, benijdde Agoracritus het blok en den roem van zijn arbeid en waagde het, in wedijver met den Pariër, mijn lieveling, zooals hij hem noemt, een marmeren beeld van dezelfde Godin te ontwerpen. Nu is het beeld van beide jongelingen voltooid en een groot aantal kunstlievende mannen is heden in mijn huis bijeen gekomen. Wanneer gij u bij hen wildet voegen, welk een spoorslag zou dat voor die beiden zijn! Komt en ziet, hoe verschillend het ideaal van het goddelijk wezen zich in de ziel van beide jonge mannen heeft afgespiegeld!”
Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend en traden met gespannen verwachting het huis van Phidias binnen.
Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder anderen de Milesiër Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de bij het volk geliefde aanhanger en medehelper van Pericles, de bouwmeester van den langen middelmuur en Ictinus [27], een bouwmeester van groote geleerdheid en juisten kunstsmaak, de intieme vriend van Phidias.
Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet, bracht de meester hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis.
Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee hooguitstekende, omhulde marmerblokken. Een bont doek was, om het witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen te bewaren, daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias, het doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun machtig edel gevormde lijnen aan de blikken der beschouwers op, die daar vóór bijeen stonden.
De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide beelden aan. Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk dat de merkwaardige verscheidenheid der beelden hen getroffen had.
Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte van verhevene schoonheid en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad golfde in breede, schoon vallende plooien tot op de enkels af. Slechts een der beide borsten was onbedekt gelaten. De uitdrukking was strak en streng: niets vrouwelijks was er in de trekken, niets weelderigs in de ledematen, niets bevalligs in de houding. En toch was het schoon. Het was een strenge, eene rijpe en toch jonkvrouwelijke schoonheid. Het was Aphrodite zonder den geur van Crocus- en Hyacynth-bloesems, waarmede de later geboren Chariten [28] en boschnymfen van den Ida [29] de Goden omkransten. Zij verspreidde nog geen welriekende geuren en geen glimlach plooide nog hare lippen.
Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een door alle Gratiën en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet in den geest der Grieken gerijpt.
Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van Agoracritus gebeiteld, was haar ideaal dat der vaderen.
Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik gevestigd had op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust aangegrepen; en wanneer hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren, was het hem alsof het minder begrijpelijk was dan straks, en alsof hij den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren had. Het was geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet, of het recht had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het vorige daarnaast thans minder voldeed.
Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van Agoracritus, en van dit naar het andere dwaalde, des te langer bleef hij op dat van Alcamenes rusten.—Wat daarin met zulk eene heimelijke betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener bezieling, van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd.
Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen, welke Alcamenes hier ten toon had gesteld, hangen, als Pericles.
„Dit werk,” sprak hij na eenigen tijd, „herinnert mij bijna het standbeeld van Pygmalion [30]; het schijnt bezield te zijn en juist op het punt, om van het strakke marmer in een levend wezen, met warm bloed in de aderen, te verkeeren.”
„Ja waarlijk,” riep Cephalus, „het werk van Agoracritus tintelt van den geest van zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld van Alcamenes echter schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde smidse, die het met een zeldzaam, eigenaardig leven doorgloeit.”
„Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,” riep Pericles uit, „daar toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks kon onderscheiden worden? Hebt ge soms de Godin in een droom gezien? Weet ge, dat ge mij in eene verrukking hebt gebracht, zooals nog nooit een beeld heeft vermocht?”
Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene plotselinge gedachte bezield, een scherpen blik op het werk van Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen van enkele leden onder den invloed dier gedachte te bestudeeren.
„Geen droombeeld,” sprak hij eindelijk, „schijnt mij toe in dit marmer belichaamd te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke werkelijkheid opgenomen, om het beeld der Godin daarmede te tooien. Hoe langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch weelderige van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige fijnheid van dezen spits toeloopenden vinger en bekoorlijk gebogen handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene vrouw in mijne herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben gezien.”
„Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de Milesische!” riep een ander der leerlingen van Phidias, naderbij tredende; en alle leerlingen naderden de een na den ander eerst het beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: „ongetwijfeld; het is de Milesische.”
„Wie is die Milesische?” vroeg Pericles haastig en in spanning.
„Wie zij is?” zeide Phidias glimlachend: „gij hebt haar reeds eens gezien—heden—weinige uren geleden—een oogenblik slechts heeft de glans harer schoonheid u getroffen.—Overigens vraag het Alcamenes.”
„Wie zij is?” herhaalde nu de vurige Alcamenes. „Een zonnestraal is zij, een dauwdroppel, eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar zijn naam en afkomst vragen? Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen. Hij heeft haar als gast in zijn huis gehuisvest.”
„Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,” zeide Phidias.
„Met welke bedoeling?” vroeg Pericles.
„Om dingen te zeggen,” hernam Phidias, „zooals ik nog nooit uit den mond eener vrouw vernomen heb.”
„Derhalve is zij de gast van Hipponicus?” vroeg Pericles.
„In een klein huis, dat hem toebehoort,” zeide Phidias, „’t welk tusschen zijn woonhuis en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge geest in dezen geheelen zwerm gevaren.”
„Hoe dat?” vorschte Pericles.
„Sinds dien tijd,” hernam Phidias, „is de suffer, dien ge op de straat aan de haven eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nog veel droomeriger geworden, en wat Alcamenes betreft, hij behoort tot diegenen, die ik het meest boven op het platte dak van het huis aantrof, vanwaar men in het peristylium [31] van het aangrenzende huis neerziet, en werwaarts zij van hun werk heensluipen, nu eens onder voorwendsel een ontsnapte vogel of aap op te vangen, dan weder om in de avondlucht zittende zich te verfrisschen, omdat hun, naar zij zeggen, het bloed zoo geweldig naar het hoofd steeg—inderdaad echter, om het snarenspel der Milesische te kunnen hooren.”
„En dezer toovenares dus,” zei Pericles, „heeft onzen Alcamenes hare bekoorlijkheden afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?”
„Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!” hernam Phidias. „Misschien heeft de suffer voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een vertrouwelijken voet met haar te staan. Deze zonderlinge knaap toch heeft zich voorgenomen een Eros [32] te beitelen en houdt het voor dit doel noodig vooraf goed bekend te zijn met het wezen van dezen God en zich er volkomen vertrouwd mede te maken. Want zoo is nu eenmaal zijne manier: hij tracht nooit naar de dingen zelven, maar steeds naar hun begrip, naar waarheid en wijsheid, zooals hij zegt; daarom noemen wij hem ook altijd den vriend der wijsheid en zoeker naar waarheid. Thans streeft hij naar het zuivere begrip van liefde en wil zich daarin door zijne schoone Milesische vriendin doen onderwijzen.
„Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens een uur lang, in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien spreken. Heeft nu werkelijk niet alleen hij, maar ook Alcamenes, van het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van schoone vrouwen te leeren, dan van de meesters zijner kunst.”
„Wat hier voor uw blik zich vertoont,” riep Alcamenes opstuivend op deze spottende taal van Phidias, „is het werk mijner handen; de berisping, die het ondervindt, neem ik op mij, en den lof, dien men het toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!”
„Ei wat,” riep Agoracritus met donkeren blik; „met de Milesische hebt gij dien te deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!”
Een donkere blos kleurde Alcamenes’ wangen.
„En gij?” riep hij, „wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet weten? Phidias zelf was het, de meester, die ’s nachts heimelijk in uw werkplaats kwam, om de laatste hand aan het werk van zijn lieveling te leggen.”
Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias’ gelaat, hij wierp een gramstorigen blik op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden.
Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend:
„Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar Alcamenes is de Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat ieder leeren waar en op welke wijze hij kan en laat niemand zijn naaste het schoone benijden, dat hem door de gunst der Muzen [33] of der Chariten of door welke andere Godheden ook ten deel is gevallen.”
„Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,” zeide Alcamenes, die het eerst van hun drieën zijne kalmte herkregen had; „maar ook van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het werk van een verstandigen kunstenaar; en, laat mij het eerlijk bekennen, mij komt eene Milesische of in ’t algemeen eene dochter van de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan de vrouwen en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde hoe de kunstenaar de vrouw ziet; of ze in bloode schaamte den worm gelijk is, die schijnt in zich zelven weg te kruipen, dan of ze de bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge afzondering, in hare vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den vrijen blik eener vrouw genieten, die het verstaat, zonder blooheid en zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid te verrukken, dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone ongedwongenheid van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende, de vroolijke wet der schoonheid en der zinnelijke vreugde verkondigen.”
Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem gelukkig, dat hij de gunst had verworven van een vrouw, als de Milesische.
„De gunst?” vroeg Alcamenes. „Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst dezer vrouw heeft hare grenzen.... Vraagt het maar eens aan dien droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.”
Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de straat naar den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden. Alle aanwezigen keken op deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten; want zij vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de vriendschap der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en zijn geheele uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is waar, de glimlach om zijn mond was, trots de dikke lippen, fijn, en wanneer zijne oogen niet nadenkend, star op één punt gericht waren, keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in.
„Wij raken van ons onderwerp af,” merkte Phidias nu op. „Alcamenes en Agoracritus wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het, dat we het hierover eens zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes eene schoone vrouw gebeiteld heeft.
„Nu,” sprak Pericles, „ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet alleen, maar ook onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen, omdat zij toch beiden van onzen meester Phidias geleerd hebben, wanneer zij een goddelijk wezen willen scheppen, de menschelijke gedaante tot in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij beeldhouwers toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te vormen, in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te staren: wanneer we echter nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat dit goddelijke slechts de reinste schoonheid en volkomenheid van het menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts eene samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en vaatbundels. Hoort nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw droomer daar over, de Milesische! Ook hij is gerechtigd, zijne meening daaromtrent te zeggen.”
„Wat meent ge,” riep Alcamenes den droomer toe, „is de natuur van den mensch goddelijk?”
„Wat Homerus en Hesiodus [34] betreft, en de andere dichters,” zeide de droomer, „zoo herinner ik mij, dat zij de zee en de aarde en alle mogelijke dingen goddelijk noemen; het zou mij daarom verwonderen, wanneer de menschelijke natuur ook niet met hare zenuwen, spieren en aderen goddelijk was. Pindarus [35] schijnt mij zelfs nog verder te gaan, wanneer hij zingt: „Eén is van den beginne af het geslacht der Goden en der stervelingen!” En ik herinner mij dat ik eens den wijsgeer Anaxagoras [36] kort en bondig heb hooren zeggen, dat al wat is, levend is en wat leeft goddelijk is. Wilt gij echter naar deze Ouden niet hooren, zoo vraagt het aan de schoone Milesische.”