Aspasia

Part 19

Chapter 193,788 wordsPublic domain

„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen, als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder het masker kan men elke rol vervullen.”

„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar van Antigone,” zeide Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is geleid.”

„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus.

„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken, uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op dergelijke wijs opgetreden.”

De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was er recht blijde om.

„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der tragedie ten tooneele.”

„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus.

„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de Eurydice te spelen.”

De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij weigerde nadere inlichting te geven.

Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand, gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden.

Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen.

Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den plechtigen danspas, ter eere van den God [221] omdat de beteekenisvolle dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend van geestdrift gaf de didaskalos [222] de maat aan met de handen en voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor, om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen.

Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig om den Dionysischen zegeprijs te behalen.

De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne verwante familiën betrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag in handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en Pyrilampes.

Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en Anaxagoras.

„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend; „koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult eene schoone vrouw uw hoofd?”

„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te kunnen wijden!”

„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van te voren van alles afstand te doen.

Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was geworden.

„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe, toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer van haar?”

„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze. Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze vrouw is altijd weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte, dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg:

„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken? Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren? In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt. Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk voor de kinderen nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van het dierlijke tot het menschelijke verheft!”—

„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,” merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!”

„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”——

Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en walm zou hebben uitgedoofd.

Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de schoone vriendin van Pericles zien binnengaan.

Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor Pericles hielden.

Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een oogenblik stil. Overwegen zij soms of de begeleider den drempel zou overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne zachte welluidende stem aan de schoone Milesische:

„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?—

„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even raadselachtige wijze beantwoordende.—

Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad.

Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd.

Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia.

Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen.

„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon Lampon.

„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting.

„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër sluipt.”—

„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is die andere?”

„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het vlek Colonos.”

„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden lag dus voor de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien? Wie zal het op zijn woord getuigen?”

„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.”

„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen.

„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”—

„’t Beste zou Theodota dat kunnen,” meent Diopithes. „Deze vrouw heeft sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst verdringen en hare plaats innemen.”

„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de deur wordt gezet.”

„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.”

„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice. „Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het. Hij is reeds eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”—

„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon.

„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd, vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om het plan te volvoeren?”—

Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij:

„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische te brengen.”—

Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten.

Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus, Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren.

In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden God Erechtheüs op den burg.——

De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd.

Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie van Cratinus onder de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden versierden zetel in de orchestra [223] zat, voelde een regendroppel op zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn Attisch vernuft afschoot.

„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.”

„De wolk drijft over,” hernam deze lachend.

Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles lachte mede.

Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen Olympischen Zeus, de Milesische Omphale [224] en den Atheenschen Heracles...

Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende pijl had Aspasia getroffen...

Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich, om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De gegoeden lieten zich door hunne slaven wijn, ooft en koeken tot verkwikking brengen.

Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde, marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote geleerdheid over Sophocles en Ion en Euripides en keken eens met turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren.

Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld; het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater. Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer te zien op deze golvende zee van menschenhoofden.

In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis.

Onophoudelijk waren de agonotheten [225] en mastigophoren [226] in de weer; telkens vlogen zij de trappen, die dwars door de zitplaatsen liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot rust te brengen.

De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne handelingen na te denken.

„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het verdichte?”——

De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te beantwoorden.

Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut zich hooren:

„Het koor van Ion trede op!”

Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht, geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor, snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich lucht in de kunstige rhythmen.

Toen trad het koor van Euripides op.

Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien. Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker van de overwinning.

In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf den zetel van Pericles en reikte hem een toegevouwen blad papier.

Pericles opende het en las deze woorden:

„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.”

Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge bericht omzag, was deze reeds verdwenen.—

Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van den heraut, die zich wederom deed hooren:

„Het koor van Sophocles trede op!”

En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.—

Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge gestalte van Oedipus’ dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten, zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij vervullen, trots alle menschelijke inzettingen.

Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus:

„Straal der zonne, wees gegroet.”

Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt, geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord:

„Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.”

En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der Labdaciden [227]; Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt:

„Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?”

klinkt het harde antwoord:

„Ook andere velden nog beloven vrucht.”