Aspasia

Part 18

Chapter 183,850 wordsPublic domain

Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en vervolgens die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk gebaar en iederen trek.

Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen.

Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich van hare taak gekweten had.

„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes, „was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het noodig is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.”

„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke lenige en teedere ledematen uit te drukken.”

„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe gedachten verzonken.

„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene wijsheid der handen en voeten is.”

De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewone ironie sprak. Doch Socrates ging voort:

„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.”

„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een bekoorlijk lachje bij, „hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste, en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.”

„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is verliefden of minnenden te noemen.”

„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet. Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te zwaarmoedig geworden was.”

„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der liefde, maar een dochter der vreugde!”

„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota, welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche [202] fierheid, de toorn van Eros, den wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!”

Zoo sprak Socrates.

Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden.

„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij.

„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates.

„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota.

Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan, menig veel beteekenend woord tot hem te richten.

Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover vrouwen eigen was.

Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde. Bovendien wist zij, dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar scheidde.

Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming. Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden. Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen.

Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was onuitputtelijk.

Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische bleef niet zonder gevolg.

Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend:

„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?”

„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd, wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat. Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg hebt geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.”

IX.

ANTIGONE [203]

Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion [204] van het vierde jaar der vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het huis voorkomende, tot op de straat doordrong.

Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus, de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus.

De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides [205], de rijke Midas voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van Cratinus [206] en wederom anderen voor andere stukken. Naar de gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen [207] ontstaan en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia en Pytho [208].

Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne blikken in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis zoekt.

Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei tot den slaaf:

„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van Hipponicus.”

Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur kloppen.

Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van Hipponicus.

Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad, boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof hij reeds den cothurnus [209] aanhad, met volle stem de woorden:

„Zoo mijn geest niet dwaalt, En ’t voorgevoel mij niet bedriegt, En heldere blik mij niet ontbreekt,”—

dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den treurspeldichter Sophocles.”

Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk schudde.

„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en klinkende munt bovendien?”

„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier en daar eer bewezen, waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar steeds toch weerklonk het in mijn hart:

„Daar wild’ ik heen. Waar dicht begroeid ’t gebergt’ Tot aan de baren reikt, waar Sunions vlakke grond gelegen is. Om Pallas’ heilge stad Met blijden mond te groeten.”—

En toen mij nu te Halicarnassus [210] de boodschap gewerd van uw Archont, die mij voor de Lenaeën [211] naar Athene riep en mij elk loon beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht, snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend en grooten meester Sophocles.”

Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand.

„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter.

„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.”

De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus verwelkomde Polus met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn.

„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?”

„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware, zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den vrouwenhater [212] Euripides de overwinning zoekt te bereiken. Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk geld geboden, om de koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees, liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!”

„Getroost, getroost, mijn waarde!”

declameerde Polus met hoog pathos.

„Nog leeft hij in den hemel, „Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht. Vertrouw hem toe uw bittre smart, En haat noch vergeet in uw toorn, Hen die u leed berokkenen!”

„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als Philoctetes [213] toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog naar Ilium wilde voeren:

„Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd, Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksem Mij met zijn gloed mocht verteren!”—

„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus, „dat een man als gij, zoo getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen, fluiten en sissen de Atheners.”

„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus, die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun ongenoegen te kennen te geven.”

Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden.

„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de „Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.”

„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen. Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist” [214]. Deze, evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf sprak.

Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus:

„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?”

Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken, mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan. Ik had met haar een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den schouwburg.”

Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit, „toen ik als Electra [215] optrad en aanhief:

O heilig licht, O aether, die de aard omgeeft!”—

heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede masker voortkwam, de vrouw gemist?”

„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond.

„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders [216] hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd:

„Dierbaarst overschot, mij blijvend, Van den liefsten aller menschen.”—

„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan de uwe!”

„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u, denk ik, mijn Aiax [217] nog wel:

„Ha, wee mij dat ik hen liet glippen, Die snoodaards, die verwenschte schurken, En in hun plaats, door waanzin aangegrepen Onschuldige schapen en gehoornde stieren Deed sneven door het flikkerend staal, Hun donker bloed vergietend.”—

De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de toehoorders in verrukking uit.

„Hoe? en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”—

En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!”

„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief:

„Welaan, het uur van scheiden is gekomen. Weest mij gegroet gij lachende dreven, Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.”

„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.”

„Gij bedoelt,” viel Polus hem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak [218]:

„Het moordend zwaard staat in den grond geplant, Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”—

„Juist,” riep Hipponicus uit, „en toen gij eerst Zeus aanriept en dan de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.” [219]—

„O Helios,” viel Polus in,

„O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt, Houd dan uw goudgetooiden teugel in, En breng de mare van mijn droeven dood.”—

„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u gold en Sophocles en den Salaminischen held!”

„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles, „prijst gij Polus, maar vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland; ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene [220]. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.”